Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 13 februari 1989 betreffende na te melden aan
[Z]
f 1.733, --
871.000,--
899.100, --
47.100, --
24.972, --
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een kapitaalvermindering die volgde op een gefacilieerde herkapitalisatie als een schijnhandeling kon worden aangemerkt en of de navorderingsaanslag terecht was opgelegd. Belanghebbende had in 1981 een herkapitalisatie uitgevoerd waarbij het geplaatste kapitaal werd vergroot en een dividend in contanten werd uitgekeerd, gevolgd door een snelle kapitaalvermindering via inkoop en statutenwijziging.
De inspecteur stelde dat er geen echte kapitaalvergroting had plaatsgevonden en dat de transacties vooral waren gericht op belastingbesparing, waardoor de navorderingsaanslag met een verhoging terecht was opgelegd. Het hof oordeelde echter dat aan de wettelijke voorwaarden voor herkapitalisatie was voldaan en dat de sanctie van artikel 23 Wet Pro Vpb van toepassing was, waardoor een beroep op het leerstuk van wetsontduiking niet kon slagen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een sanctie tegen de vennootschap en niet tegen de aandeelhouders. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat het hof het geschil juist had beoordeeld, waarbij het feit dat de transacties gericht waren op belastingbesparing niet tot een andere rechtsgevolg mocht leiden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de sanctie van artikel 23 Wet Vpb van toepassing is, waardoor geen beroep op wetsontduiking mogelijk is.