Uitspraak
20 juni 1990.
TB
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 3 oktober 1988 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende exploiteert een tuinbouwbedrijf en heeft in 1985 anjerplanten aangeschaft met een opbrengstperiode van circa 17 maanden. Voor deze planten werd geen investeringsbijdrage toegekend omdat het Hof oordeelde dat planten alleen als bedrijfsmiddel kunnen worden aangemerkt indien de opbrengstperiode zich uitstrekt over ten minste twee jaren (24 maanden).
Belanghebbende stelde dat deze termijn van twee jaren niet juist was en dat planten met een opbrengstperiode langer dan een jaar als bedrijfsmiddel moeten worden beschouwd. De Hoge Raad bevestigde echter dat het criterium van twee jaren uit het arrest van 13 mei 1987 (BNB 1987/238) geldt en dat dit criterium niet in strijd is met de wetgever. De opbrengstperiode van 17 maanden is onvoldoende om de planten als bedrijfsmiddel te kwalificeren.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het criterium van twee jaren wordt gehanteerd, wat een motiveringsklacht oplevert. Desondanks leidt dit niet tot vernietiging van de uitspraak omdat het oordeel inhoudelijk juist is.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van belanghebbende en handhaafde de uitspraak van het Hof dat de anjerplanten niet als bedrijfsmiddel kwalificeren en dat daarom geen investeringsbijdrage kan worden toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat anjerplanten met een opbrengstperiode van 17 maanden geen bedrijfsmiddel zijn en wijst het cassatieberoep af.