Het Hof heeft omtrent de standpunten van partijen het volgende vermeld:
"Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en de pleitnota.
Ter zitting hebben partijen nog het volgende toegevoegd:
belanghebbende:
[A] is zeer verweven met de aangesloten plaatselijke instellingen. Een plaatselijke instelling weet soms nauwelijks of zij zelf eigenaar van de huisvesting is of [C] . De ideële band tussen [A] en de plaatselijke instellingen blijkt uit de regeling in de statuten.
Met betrekking tot nieuwe complexen verricht [C] of [A] veelal de acquisitie. Zij richten zich tot de gemeenten om de mogelijkheden van het stichten van bejaardenhuisvesting af te tasten. Ook worden [C] of [A] wel benaderd door een plaatselijke instelling om te komen tot het stichten van bejaardenhuisvesting. Voor zover nog niet aanwezig richt [A] bij gebleken mogelijkheden voor het realiseren van bejaardenhuisvesting alsdan een plaatselijke stichting op. Thans is het zo dat de juridische eigendom van de huisvesting altijd wordt gesteld op naam van [C] in verband met de voorschriften van het Ministerie van Volkshuisvesting. De subsidie-aanvragen kunnen daardoor op naam van [C] worden ingediend. Tijdens het litigieuze tijdvak geschiedde zulks reeds aldus. De bedoelde voorschriften stammen uit 1983 of 1984.
De plaatselijke instellingen houden zich vooral bezig met de toewijzing van de woonruimte en dienen als vraagbaak voor de bewoners. De huismeesters ter plaatse zijn in dienst van [C] .
Het oprichten van een plaatselijke stichting geeft het overleg met andere plaatselijke instellingen van bejaardenwerk een steviger basis. Bovendien kan [A] alsdan mede het bestuur samenstellen. De financiële huishouding van de plaatselijke instellingen (stichtingen) omvat voornamelijk bestuurskosten. De huisvestings- en beheerskosten lopen via [C] , die sinds 1983 ook steeds de eigendom van de huisvesting heeft.
Naast de aan de bewoners in rekening gebrachte nettohuur worden service-kosten berekend, in welke kosten tevens een bijdrage is opgenomen voor de dienstverlening van [C] . Voor de oude, zelf exploiterende plaatselijke instellingen doet [C] een voorstel over de door die instelling aan de bewoners in rekening te brengen huur en servicekosten. [C] voert ook ten behoeve van deze instellingen de administratie, waarvoor ook een in de servicekosten opgenomen vergoeding wordt ontvangen.
De hoogte van de vergoeding aan [C] wordt begrensd door de ter zake uitgevaardigde ministeriële voorschriften.
De in de servicekosten opgenomen vergoeding is de in geschil zijnde, in de heffing van omzetbelasting betrokken vergoeding. Daarnaast is sprake van een bijdrage per woning van [C] aan [A] voor de belangenbehartiging van de bejaardenzorg in het algemeen. Die bijdrage is niet in de heffing betrokken en staat buiten het geschil.
[A] , [C] en de plaatselijke instellingen moeten worden gezien als een concern. Zij oefenen te zamen één onderneming uit en handelen ook feitelijk zoals in de statuten is voorgeschreven.
Naar buiten toe wordt opgetreden als één organisatie. De bewoners en het publiek ervaren slechts de naam [A] . De Humanistische Beweging is de drijvende kracht achter [A] en de plaatselijke instellingen.
De gewone woningcorporaties en de makelaardij missen de specifieke deskundigheid die voor bejaardentehuizen nodig is. Van concurrentieverstoring is geen sprake. Van de dienstverlening van [A] wordt door derden geen gebruik gemaakt.
De inspecteur:
Van financiële verwevenheid is geen sprake. Stichtingen hebben geen aandelenkapitaal. Een moeder-dochterverhouding is niet aanwezig. Van enige financiële afhankelijkheid van de plaatselijke instellingen blijkt niets uit de statuten. Zij draaien niet op voor de exploitatiekosten. Ook van een organisatorische eenheid is geen sprake. Het gaat in [A] en de plaatselijke instellingen niet om dezelfde groep van personen. Er is een verschil tussen de centrale Humanistische Verbond en de plaatselijke afdelingen. Het is niet voldoende dat in overleg met [A] bestuursleden in de plaatselijke instellingen worden benoemd. Omdat de financiële en organisatorische verwevenheid ontbreekt en naar buiten toe niet als een geheel wordt opgetreden, is er geen sprake van een ondernemer als bedoeld in artikel 7, lid 1, van de Wet. Voor een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet is nodig het bestaan van een groepering van personen die min of meer duurzaam samenwerken. [A] en de plaatselijke instellingen zijn echter in maatschappelijk opzicht van elkaar te onderscheiden. Er bestaat geen nauwe band tussen [A] en de plaatselijke instellingen. Dit moet stringent worden bezien.
Op een vrijstelling voor de onderhavige diensten kan geen beroep worden gedaan. Vóór 1 januari 1985 niet, omdat [D] die toen de diensten verrichtte niet valt onder artikel 9, lid 1, letter a, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Besluit): het was geen toegelaten instelling in de zin van de Woningwet.
Na 1 januari 1985 niet, omdat het verrichten van de onderwerpelijke diensten niet direct nodig is voor de bouw en het beheer van premiewoningen.
Artikel 9, lid 1, letters a tot en met f, van het Besluit zijn nog van kracht. Dit is een minimumbepaling. Artikel 28, lid 3, van de Zesde Richtlijn staat toe dat gedurende een overgangsperiode prestaties als de onderhavige worden belast. De overgangsperiode duurt tot het moment dat de Raad van Ministers te dezer zake een nader besluit neemt. Tot zolang gaat de Nederlandse wettelijke regeling voor".