Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 26 juni 1987 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1981.
Hoge Raad
Belanghebbende was samen met zijn broer directeur en aandeelhouder van een familiebedrijf, waarbij in 1981 een reorganisatie plaatsvond waarbij de broer zijn aandelen verkocht aan een door belanghebbende opgerichte houdstermaatschappij. Belanghebbende bracht vervolgens zijn aandelen in deze houdstermaatschappij in ruil voor aandelen in die houdstermaatschappij.
De Inspecteur stelde dat deze aandeleninbreng een vervreemding in de zin van artikel 39, eerste lid, Wet IB 1964 was, waardoor winst uit aanmerkelijk belang was gerealiseerd en belast moest worden. Belanghebbende voerde aan dat er geen winst was gerealiseerd omdat de economische eigendom niet was gewijzigd en verwees naar jurisprudentie en literatuur die een uitzondering op vervreemding bij onveranderde economische eigendom toestond.
Het Hof bevestigde de aanslag en oordeelde dat de inbreng als vervreemding moest worden aangemerkt. De Hoge Raad overwoog dat de uitzondering op vervreemding niet van toepassing is bij inbreng in een binnenlandse houdstermaatschappij, omdat deze fiscale positie en economische betekenis van de aandelen wezenlijk verandert. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het Hof.
Hierdoor blijft de aanslag gehandhaafd en wordt winst uit aanmerkelijk belang belast, ondanks het ontbreken van feitelijke winstrealisatie of wijziging van de economische eigendom. Dit arrest verduidelijkt de fiscale behandeling van aandeleninbreng in houdstermaatschappijen onder de Wet IB 1964.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de aandeleninbreng in de houdstermaatschappij een belastbare vervreemding is volgens artikel 39 Wet IB 1964.