Uitspraak
27 januari 1989.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De vrouw verzocht bij de rechtbank wijziging van het echtscheidingsvonnis waarbij haar alimentatievordering was afgewezen. Zij baseerde dit op het faillissement van de vennootschap waarvan zij groot aandeelhouder en zaakvoerster was, waardoor haar financiële situatie was gewijzigd. De rechtbank wees haar verzoek toe, maar het hof vernietigde deze beschikking en wees het verzoek af, stellende dat het faillissement geen relevante wijziging van omstandigheden was omdat de vrouw nooit inkomsten uit de vennootschap had ontvangen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door de gewijzigde omstandigheden niet te toetsen aan de situatie ten tijde van het oorspronkelijke vonnis, maar aan wat destijds door de vrouw was aangevoerd. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.
De Hoge Raad bepaalde tevens dat iedere partij de eigen kosten van het cassatiegeding draagt. Hiermee is bevestigd dat het faillissement van de vennootschap een mogelijke relevante wijziging van omstandigheden kan zijn voor de alimentatieplicht, ook als destijds geen inkomsten werden genoten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar een ander gerechtshof.