Uitspraak
26 februari 1988.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiser betaling van een honorarium voor zijn werkzaamheden als advocaat, gefinancierd door een rechtsbijstandverzekering van de Stichting. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen, omdat geschillen over advocatenhonoraria volgens de Wet tarieven burgerlijke zaken via een bijzondere rechtsgang moeten worden behandeld.
Eiser stelde dat de rechtbank wel bevoegd was, maar de Hoge Raad bevestigde dat de bijzondere rechter exclusief bevoegd is voor dergelijke geschillen, ook wanneer het honorarium aan een derde wordt gefactureerd die zich bereid heeft verklaard de kosten te voldoen. Dit is in lijn met de bedoeling van de wet om deskundigheid en beperking van procedures te waarborgen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiser in de kosten van het geding. Hiermee is bevestigd dat de bijzondere procedure uit de Wet tarieven burgerlijke zaken strikt gevolgd moet worden bij honorariumgeschillen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de exclusieve bevoegdheid van de bijzondere rechter voor geschillen over advocatenhonoraria en wijst het cassatieberoep af.