Uitspraak
3 april 1987.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over omzetschade die is veroorzaakt door bouwactiviteiten op een naburig perceel. Verweerder vorderde vergoeding van schade die zou zijn ontstaan door het plaatsen en handhaven van een schutting die de zichtbaarheid van zijn winkel belemmerde.
De Rechtbank wees de vorderingen af, maar het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat hoewel het plaatsen van de schutting niet onrechtmatig was, de weigering om de omzetschade te vergoeden wel een onrechtmatige daad opleverde. De Hoge Raad stelde vast dat het oordeel van het Hof over de onrechtmatigheid onjuist was, omdat het Hof het plaatsen van de schutting als rechtvaardiging zag, terwijl dit niet op feiten van die aard was gebaseerd.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch en verwees de zaak naar het Hof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing. Het incidentele beroep van verweerder werd verworpen en partijen werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof en verwijst zaak naar Hof Arnhem voor verdere behandeling.