Uitspraak
[woonplaats].
onverminderdhet bepaalde in de artikelen 33–35 en 36 a–36 c van het Wetboek van Strafrecht.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof in hoger beroep veroordeeld tot twintig maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 eerste Pro lid onder B van de Opiumwet. Tevens werd onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen cocaïne en hashish uitgesproken.
Het cassatieberoep richtte zich tegen de motivering van de onttrekking aan het verkeer van de drugs, waarbij werd betoogd dat het hof onvoldoende had gemotiveerd aan welke voorwaarden van artikel 36c en 36d Sr was voldaan. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging en verwijzing, maar de Hoge Raad oordeelde dat het middel faalde omdat het hof niet gehouden was de maatregel breder te motiveren dan reeds was gedaan.
De Hoge Raad constateerde wel dat de motivering van de onttrekking aan het verkeer onvoldoende was toegelicht, maar achtte dit geen reden tot vernietiging van het arrest. Het cassatieberoep werd dan ook verworpen. De strafoplegging en de onttrekking aan het verkeer bleven in stand.
Het arrest is gewezen door de vice-president Bronkhorst en raadsheren De Waard, Jeukens, Mout en Keijzer op 24 november 1987.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot twintig maanden gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer wordt bevestigd.