Uitspraak
24 mei 1985.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Na echtscheiding werd de huwelijksgemeenschap verdeeld waarbij de woning aan de man werd toegedeeld, inclusief de lasten en hypothecaire schuld, terwijl de vrouw werd ontlast van deze schulden. De vrouw stelde dat de boedelscheiding nietig was wegens gemis aan wil, omdat zij niet in staat was haar wil te bepalen bij het sluiten van de akte.
De rechtbank beval deskundigenonderzoek en stelde bewijslevering door getuigen toe. Het hof verklaarde de boedelscheiding nietig en wees het incidentele hoger beroep af. De man stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest.
De Hoge Raad oordeelde dat de boedelscheiding niet als handeling om niet kan worden aangemerkt omdat de man naast de woning ook substantiële schulden op zich nam, waardoor de vrouw werd ontlast. Het enkele feit dat de man een belangrijke overwaarde kreeg, betekent niet dat de boedelscheiding wegens gemis aan wil vernietigbaar is zonder dat de wederpartij dit behoorde te begrijpen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De kosten van het cassatiegeding werden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.