Uitspraak
[woonplaats].
27 november 1984.
Hoge Raad
In deze zaak stond de strafrechtelijke beoordeling van euthanasie centraal, waarbij de verdachte arts werd beschuldigd van het op verzoek van een patiënt beëindigen van haar leven. Het hof had de verdachte vrijgesproken, maar de Hoge Raad stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het begrip 'van het leven beroven' in artikel 293 Sr Pro. niet van toepassing zou zijn op euthanasie in het kader van zorgvuldig medisch handelen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ook onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid werd verworpen, met name omdat het hof zich had gebaseerd op een onvolledige maatstaf en onvoldoende rekening had gehouden met het medisch tuchtrecht en de maatschappelijke opvattingen. Tevens was het oordeel over het beroep op overmacht (noodtoestand) onvoldoende onderbouwd, vooral omdat het hof tegenstrijdige overwegingen had geformuleerd over de ondragelijkheid van het lijden van de patiënt op het moment van euthanasie.
De Hoge Raad benadrukte dat het hof duidelijker had moeten zijn over de feiten die het aannemelijk achtte en de juridische betekenis daarvan. Ook wees de Hoge Raad op het belang van een zorgvuldige belangenafweging door de arts in het licht van medische ethiek. Gezien deze gebreken vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering en onjuiste rechtsopvattingen over euthanasie.