De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, voor diefstal door twee of meer verenigde personen.
Het hof had bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat tegen verdachte in het voorgaande jaar opnieuw processen-verbaal waren opgemaakt voor soortgelijke delicten. De Hoge Raad oordeelt dat dit niet als grondslag mag dienen voor strafverzwaring, omdat dit zou neerkomen op dubbele bestraffing terwijl die nieuwe feiten nog in behandeling zijn.
Daarnaast heeft het hof geen deugdelijke motivering gegeven voor de zwaardere straf dan de eis van het Openbaar Ministerie, wat leidt tot nietigheid van het arrest. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde berechting.
De verdachte was eerder door de politierechter veroordeeld en in hoger beroep vrijgesproken van een deel van de tenlastelegging, maar veroordeeld voor andere feiten. Het hof legde een zwaardere straf op dan de eis, mede gebaseerd op de nieuwe processen-verbaal, hetgeen onrechtmatig was.
De Hoge Raad benadrukt het belang van een zorgvuldige en wettelijk vereiste motivering bij strafoplegging, vooral wanneer een straf zwaarder is dan de eis van het Openbaar Ministerie.