ECLI:NL:HR:1983:AG4700

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 1983
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
6415 rek.nr
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Drion
  • raadsheer Snijders
  • raadsheer Royer
  • raadsheer Martens
  • raadsheer Bloembergen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1623e lid 1 sub 3 BWArt. 7:274 lid 1 sub c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurrecht: dringend eigen gebruik en lastenverlichting bij zelfbewoning woning

In deze zaak vorderde de verhuurder ontbinding van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik van de woning. De kantonrechter wees het verzoek aanvankelijk af, maar de rechtbank stelde de verhuurder in het gelijk en bepaalde een ontruimingsdatum.

De huurder stelde in cassatie dat lastenverlichting door zelfbewoning nooit voldoende kan zijn voor dringend eigen gebruik, maar de Hoge Raad verwierp dit standpunt. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de verhuurder, mede gezien de ongunstige verhouding tussen woonlasten en huuropbrengst, een financiële noodsituatie had die alleen kon worden opgelost door zelfbewoning.

De Hoge Raad oordeelde dat de tekst en strekking van art. 7:274 lid 1 sub c BW Pro (voorheen art. 7A:1623e lid 1 sub 3 BW) niet uitsluiten dat lastenverlichting een reden kan zijn voor dringend eigen gebruik. Het beroep werd verworpen en partijen droegen ieder hun eigen proceskosten. De huurder kreeg toestemming om kosteloos in cassatie te procederen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontbinding van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik wordt bevestigd.

Uitspraak

25 november 1983
Eerste Kamer
Req.nr. 6415
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikkingin de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: Mr. W.G.H. Janssen,
PD – HR 25/11/1983,
t e g e n
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Jhr. Mr. D.J. de Brauw,
PD – Rb 8/3/1983.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op 3 maart 1982 heeft [verweerder] zich op de voet van art. 1623
cBW gewend tot de Kantonrechter te Tilburg met het verzoek de tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende de woning c.a. te [woonplaats] aan de [a-straat 1] ontbonden te verklaren en [verzoeker] te bevelen deze woning te verlaten en te ontruimen onder overgave van de sleutel, met machtiging aan verzoeker om desnodig die ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm.
Nadat [verzoeker] tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 1 april 1982 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda.
Bij beschikking van 8 maart 1983 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter vernietigd en het verzoek alsnog in dier voege toegewezen dat zij het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen heeft vastgesteld op 1 juni 1983 en [verzoeker] heeft veroordeeld de woning alsdan te ontruimen, met machtiging aan [verweerder] als verzocht.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierequest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Ten Kate strekt tot verwerping van het beroep.
De conclusie is aan deze beschikking gehecht.
3. Beoordeling van het middel
Voor zover het eerste middel ervan uitgaat dat de beslissing van de Rechtbank, volgens welke [verweerder] de litigieuze woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik, louter zou berusten op de bij hem bestaande "financiële noodzaak welke gebaseerd is op een lastenvermindering sec", mist het feitelijke grondslag; de Rechtbank heeft die beslissing mede doen steunen op haar oordeel dat er bij [verweerder] , mede gezien de ongunstige verhouding tussen zijn woonlasten en de huuropbrengst van bedoelde woning, sprake is van een financiële noodsituatie en dat er voor hem, "teneinde zijn financiële lasten tot een maatschappelijk niveau terug te dringen", geen andere mogelijkheid rest dan het zelf gaan bewonen van die woning.
Ook voor het overige wordt het middel tevergeefs voorgesteld, omdat de daarin vervatte stelling volgens welke lastenverlichting, voor de verhuurder voortvloeiende uit het zelf gaan bewonen van de betrokken woning, nimmer voldoende zou kunnen zijn om aan te nemen dat de verhuurder de woning dringend voor eigen gebruik nodig heeft in de zin van art. 1623
elid 1 onder 3⁰, geen steun vindt in tekst of strekking van deze bepaling.
Het tweede middel komt tevergeefs op tegen een waardering en afweging van de belangen en behoeften van beide partijen, die niet onbegrijpelijk zijn.
Het derde middel faalt op de in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder nr. 21 aangegeven gronden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de proceskosten in cassatie in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
verleent [verzoeker] de Brouwer vergunning om te dezen in cassatie kosteloos te procederen.
Deze beschikking is gewezen door vice-president Drion als voorzitter en de raadsheren Snijders, Royer, Martens en Bloembergen, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 2
5 november 1983.