ECLI:NL:HR:1981:AG4161
Hoge Raad
- Cassatie
- Ras
- Drion
- Haardt
- Martens
- de Groot
- Rechtspraak.nl
Betaling tipgeld voor onroerend goed ondanks dwaling afgewezen
Op 23 juli 1976 tipte verweerster eiser over een bedrijfsruimte met woningen te Rotterdam, waarna eiser het object rechtstreeks van de verkoper kocht. Eiser en verweerster spraken af dat eiser een tipgeld van ƒ 25.000,- inclusief BTW zou betalen, maar eiser betaalde niet. Verweerster vorderde betaling met rente en kosten.
Eiser betoogde dat hij de tip onvrijwillig had toegezegd omdat hij dacht dat de huurder een eerste klas huurder was en de huur niet te economisch, wat later onjuist bleek. Hij stelde dat hij daardoor dwalend was en niet gehouden was tot betaling.
De rechtbank wees het verweer af en stelde dat een eenmaal toegezegd tipgeld een overeenkomst vormt die nagekomen moet worden. Het beroep op dwaling faalde omdat eiser geen vernietiging van de overeenkomst had gevorderd en de dwaling niet de zelfstandigheid van de zaak betrof.
Het hof bekrachtigde dit oordeel en overwoog dat eiser als handelaar zelf onderzoek had moeten doen naar de huurder en huurvoorwaarden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, oordeelde dat het hof niet onjuist had geoordeeld over de dwaling en dat de splitsing van erkenningen niet in strijd was met het recht. Eiser werd veroordeeld tot betaling van het tipgeld met rente en kosten.
Uitkomst: Eiser is gehouden het tipgeld van ƒ 25.000,- met rente en kosten te betalen aan verweerster.