Uitspraak
[plaats].
MIDDEL I
AD A DE FEITEN
MIDDEL II
C.
29 september 1981.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak stond centraal of verdachte op het moment dat hij door verbalisanten op straat werd aangesproken al als verdachte kon worden aangemerkt en of het gesprek op straat als een verhoor in de zin van art. 29 lid 2 Sv Pro moest worden beschouwd.
Het hof had geoordeeld dat de verbalisanten verdachte mochten bevragen over de inhoud van zijn tas en dat verdachte pas na zijn antwoord op de tweede vraag als verdachte in de zin van art. 27 Sv Pro werd aangemerkt. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd, die oordeelde dat het gesprek op straat geen verhoor was en dat verdachte in vrijheid kon bepalen wat hij wenste te verklaren, ondanks zijn slechte geestelijke en lichamelijke toestand.
Daarnaast werd het verweer verworpen dat het verhoor op het politiebureau onder ontoelaatbare omstandigheden was afgenomen. De Hoge Raad stelde dat de geestelijke toestand van verdachte weliswaar zijn vermogen om een andere boekwinkel aan te wijzen beperkte, maar niet zijn vermogen om een verklaring af te leggen.
Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen omdat geen schending van het recht of nietigheid van de procedure was vastgesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot twee weken gevangenisstraf blijft in stand.