Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1981:AC3521

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 1981
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
72423
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Moons
  • raadsheer Bronkhorst
  • raadsheer De Waard
  • raadsheer Hermans
  • raadsheer Jeukens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138 SrArt. 450 SvArt. 452 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huisvredebreuk door kraken woning overledene en weigering te vertrekken na vordering erfgenaam

In deze strafzaak werd de verdachte door het Hof Arnhem veroordeeld wegens huisvredebreuk, omdat hij wederrechtelijk in de woning van een overledene verbleef en na vordering van de erfgenaam niet vertrok. Het Hof legde een geldboete van honderd gulden op, subsidiair twee dagen hechtenis.

De verdachte stelde cassatieberoep in, maar stelde geen middelen van cassatie zelf voor. Een advocaat diende wel een schriftuur in, maar deze was niet rechtsgeldig omdat niet was voldaan aan de vereisten van volmacht conform artikel 452, eerste lid juncto artikel 450 Sv Pro. De Hoge Raad kon daarom geen acht slaan op deze schriftuur.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat geen grond bestond voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest en verwierp het beroep. Tevens ging de Advocaat-Generaal in op de uitbreiding van het begrip 'gebruik van woning' tot gebruik door nabestaanden of executeur-testamentair van de woning van de overledene voor boedelafwikkeling.

Het arrest werd gewezen door de vice-president Moons als voorzitter en vier raadsheren, en bevestigd dat de verdachte terecht was veroordeeld voor huisvredebreuk.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor huisvredebreuk en verwerpt het cassatieberoep wegens niet-naleving van volmachtvereisten.

Uitspraak

14 april 1981
Strafkamer
nr. 72.423
J.O.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 1 augustus 1980 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep — behoudens ten aanzien van de strafoplegging — bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 27 december 1979, waarbij de verdachte tot straf is veroordeeld ter zake van ‘’wederrechtelijk in de woning bij een ander in gebruik vertoevende, zich niet op de vordering van de rechthebbende aanstonds verwijderen’’. Het Hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot een geldboete van éénhonderd gulden, subsidiair twee dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
Wel is door een advocaat een schriftuur ingediend, maar de Hoge Raad kan daarop geen acht slaan, nu bij de indiening daarvan niet is in acht genomen het bepaalde in artikel 452, eerste lid juncto artikel 450 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Remmelink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Beoordeling van de bestreden uitspraak
Voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak is geen grond aanwezig, zodat het cassatieberoep moet worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Moons als voorzitter en de raadsheren Bronkhorst, De Waard, Hermans en Jeukens, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op
14 april 1981.