Uitspraak
9 december 1980.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor diverse feiten, waaronder diefstal, medeplegen van het verbergen van door diefstal verkregen goederen, en medeplegen van het zonder recht onder zich hebben van foto’s van medewerkers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, welke foto’s als staatsgeheim werden aangemerkt.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, waarbij hij onder meer vormverzuimen en schending van wettelijke bepalingen aanvoerde met betrekking tot het bewijs en de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit. De Hoge Raad oordeelde dat de gebruikte bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen en ambtelijke processen-verbaal, toereikend waren en dat de verklaring van de verdachte als wettig bewijsmiddel kon dienen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof alleen voor wat betreft de kwalificatie van het feit met betrekking tot het bezit van de foto’s van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. De Hoge Raad kwalificeerde dit als medeplegen van het opzettelijk zonder recht onder zich hebben van gegevens als bedoeld in artikel 98 van Pro het Wetboek van Strafrecht en stelde vast dat ook artikel 47 Sr Pro als toepasselijk wettelijk voorschrift bij de strafoplegging moest worden vermeld.
Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen en bleef de strafoplegging in stand. De zaak betreft onder meer de bewaring van gestolen goederen en het bezit van staatsgeheime informatie, waarbij het hof en de Hoge Raad de bewijsvoering en juridische kwalificaties nauwkeurig toetsten.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest voor kwalificatie medeplegen onrechtmatig bezit staatsgeheime foto’s en bevestigt verder de veroordeling.