Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Arnhemvan 6 september 1977 betreffende zijn verzoek tot vrijstelling van motorrijtuigenbelasting;
Hoge Raad
Belanghebbende verzocht om vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wegens invaliditeit met terugwerkende kracht vanaf medio november 1973. De Inspecteur wees dit verzoek af voor de periode vóór 6 oktober 1974, de datum waarop het schriftelijke verzoek werd ingediend. Het Gerechtshof bevestigde deze beslissing en oordeelde dat de wetgever terugwerkende kracht van de vrijstelling beperkt tot de datum van het verzoek, tenzij anders bepaald in de vergunning.
Belanghebbende stelde in cassatie dat zijn invaliditeit reeds medio november 1973 bestond en dat hij vanaf dat moment een auto nodig had, waardoor hem ook voor die periode vrijstelling toekwam. De Hoge Raad overwoog dat artikel 13 van Pro het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1966 de Inspecteur niet verplicht om de vrijstelling terug te laten werken vóór de datum van het schriftelijke verzoek.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht heeft beslist dat de Inspecteur vrij was om geen verdere terugwerkende kracht toe te kennen dan tot de datum van het verzoek. Tevens was het Hof niet gehouden om nader onderzoek te doen naar de periode voorafgaand aan het verzoek. Het beroep van belanghebbende werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vrijstelling motorrijtuigenbelasting niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend vóór de datum van het schriftelijke verzoek.