ECLI:NL:HR:1975:AX4065
Hoge Raad
- Cassatie
- Dubbink
- De Meijere
- Van Dijk
- Wiersma
- Reynders
- Rechtspraak.nl
Waarde van onroerende goederen binnen economische eenheid in vermogensbelasting
Belanghebbende was beherend vennoot van een vennootschap onder firma die onroerende goederen in haar vermogen had ingebracht. De waardering van deze goederen voor de vermogensbelasting 1971 was betwist, waarbij het geschil zich richtte op de vraag of de waardering rekening moest houden met de economische eenheid en de waardeverlagende factor daarvan.
Het Hof had geoordeeld dat het waarderingsvoorschrift van artikel 9 lid 2 VB Pro 1964 niet van toepassing was als de economische eenheid de waarde van de bezittingen verlaagt. Belanghebbende stelde dat dit onjuist was en dat het waarderingsvoorschrift zonder uitzondering geldt, ook bij waardeverlaging door de economische eenheid.
De Hoge Raad stelde vast dat het Hof een onjuiste uitleg had gegeven aan artikel 9 lid 2 VB Pro 1964. Het waarderingsvoorschrift geldt altijd wanneer bezittingen tot een economische eenheid behoren, ook als die eenheid de waarde verlaagt. De zaak werd vernietigd en verwezen naar het Hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van het juiste waarderingsvoorschrift.