Op het beroep van
[rekwirant], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1911, van beroep leraar, wonende te
[woonplaats], rekwirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 2 oktober 1973, houdende in hoger beroep bevestiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 9 november 1972, waarbij de rekwirant ter zake van ‘’opzettelijk een minderjarige, die zich onttrokken heeft aan het wettig over hem gesteld gezag, verbergen’’ is veroordeeld tot een geldboete van éénhonderdvijftig gulden, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van vijftien dagen;
Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur;
Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald;
Gehoord de Advocaat-Generaal Kist in zijn conclusie hiertoe strekkende, dat het beroepen arrest zal worden vernietigd, maar alleen voorzover het arrest het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd ten aanzien van de aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie, de strafbaarverklaring van het feit en van rekwirant, en de strafoplegging, voorts dat ook het vonnis van de Rechtbank te dien aanzien zal worden vernietigd en ten slotte dat de Hoge Raad ten principale rechtdoende het bewezenverklaarde niet strafbaar zal verklaren en rekwirant zal ontslaan van alle rechtsvervolging;
Overwegende dat geen middel door of vanwege de rekwirant is voorgesteld en ook geen grond aanwezig is bevonden, waarop de beroepen uitspraak ambtshalve behoort te worden vernietigd;
Verwerpt het beroep.
Gewezen te ’s-Gravenhage bij Mrs. Kazemier, Vice-President, Vroom, Fikkert, van der Ven en Enschedé, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend, en door voornoemde Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de twaalfde maart 1900 vierenzeventig in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Remmelink.