Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Leeuwardenvan 28 januari 1974 betreffende de hem opgelegde naheffingsaanslag tot betaling van overdrachtsbelasting wegens een verkrijging van onroerend goed in het jaar 1972;
Hoge Raad
Belanghebbende kocht in 1972 een perceel grond dat eerder door zijn grootvader was aangekocht. De grootvader had in 1965 een bouwvergunning aangevraagd voor meerdere woningen, maar dit werd door de gemeente geweigerd vanwege het bestemmingsplan. In 1973 werd alsnog een vergunning verleend voor de bouw van één bungalow.
De Inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op, gebaseerd op een hogere waarde van de grond dan de aanvankelijk betaalde prijs, omdat de grond als potentiële bouwgrond werd gewaardeerd. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat hij agrarische grond had gekocht zonder zekerheid op bouwvergunning.
Het Gerechtshof oordeelde dat de waarde van de grond op het moment van de akte (28 juni 1972) moest worden bepaald en dat een redelijke waarde f 10 per m2 was, rekening houdend met de mogelijkheid tot bouw van één of twee woningen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van belanghebbende, stellende dat de waardebepaling een feitelijke beoordeling is die in cassatie niet kan worden herzien.
De Hoge Raad benadrukte dat de overdrachtsbelasting wordt berekend over de waarde op het tijdstip van de akte en dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de waarde bepaald moet worden op basis van de meest geschikte aanbieding aan de meestbiedende gegadigde, rekening houdend met de bouwmogelijkheden en gemeentelijke medewerking.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting terecht is opgelegd op basis van de waarde van de grond op het moment van de akte.