Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof
aldaarvan 29 februari 1972 betreffende een hem voor het jaar 1970 opgelegde aanslag ter zake van precariorechten van de gemeente 's-Gravenhage;
Hoge Raad
Belanghebbende werd door de gemeente 's-Gravenhage aangeslagen voor precariorechten over het jaar 1970, gebaseerd op de afgeleverde hoeveelheid motorbrandstof en het aantal vaste aftappunten van een installatie op gemeentegrond. Na afwijzing van bezwaar door de gemeentelijke belastingdirecteur, bevestigde het Hof deze aanslag.
Belanghebbende voerde aan dat de heffing in feite een accijns betrof, wat gemeenten niet mogen heffen, en dat de verordening niet rechtsgeldig was wegens strijd met de gemeentewet en onredelijkheid. Het Hof oordeelde dat de heffing niet als accijns kon worden aangemerkt omdat de belasting werd geheven over het houden van de installatie en niet over de goederen zelf. Ook vond het Hof de heffing niet onredelijk of willekeurig.
In cassatie stelde belanghebbende dat het Hof ten onrechte had geoordeeld over de aard van de heffing en onvoldoende had gemotiveerd waarom de heffing niet onredelijk was. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof, benadrukte dat de beoordeling van matige winst uitsluitend aan de Kroon toekomt en dat de heffing rechtmatig is volgens de gemeentewet zoals die gold voor 1970.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde dat de aanslag terecht was opgelegd, ook al bestond deze uit twee afzonderlijke aanslagen voor verschillende grondslagen binnen dezelfde heffing.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag precariorechten wordt bevestigd.