Uitspraak
vennootschap onder de firma “[X]”, te
[Z], tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 23 januari 1969 betreffende de haar opgelegde naheffingsaanslag inzake loonbelasting over het tijdvak 1967;
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting over 1967 opgelegd, inclusief een verhoging. Deze aanslag werd verminderd na bezwaar, maar het hof bevestigde de aanslag en de verhoging van 5%, ondanks dat geen aanmaning vooraf was gegeven. Belanghebbende stelde dat volgens ministeriële resoluties en de memorie van toelichting eerst een aanmaning moet worden gegeven voordat tot naheffing wordt overgegaan.
Het hof oordeelde dat deze ambtelijke voorschriften niet door de belastingrechter kunnen worden toegepast en verwierp het beroep van belanghebbende. De Hoge Raad stelde echter vast dat de taak van de belastingrechter breder is dan alleen toetsing aan wettelijke grenzen; ook de wijze van uitoefening van bevoegdheden moet in overeenstemming zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur.
De Hoge Raad oordeelde dat ministeriële resoluties die met medewerking van de belastingdienst zijn gepubliceerd, wel degelijk relevant zijn voor het vertrouwen van de belastingplichtige en dat het hof ten onrechte het beroep hierop heeft verworpen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van beginselen van behoorlijk bestuur.