Uitspraak
[X]’’ te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 19 februari 1970 betreffende de aan die firma opgelegde aanslag tot naheffing van loonbelasting over het tijdvak 1 juli 1965 tot en met 31 december 1966;
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de bevoegdheid van de Inspecteur om een naheffingsaanslag loonbelasting op te leggen over het tijdvak 1 juli 1965 tot en met 31 december 1966, nadat een eerder opgelegde ambtshalve aanslag door het Hof was vernietigd. De Inspecteur had na deze vernietiging een naheffingsaanslag opgelegd ter hoogte van hetzelfde bedrag.
Belanghebbende voerde aan dat het opleggen van de naheffingsaanslag na vernietiging van de ambtshalve aanslag in strijd was met de rechtszekerheid en beginselen van behoorlijk bestuur, en dat de Inspecteur niet vrij zou mogen zijn om op een later tijdstip een andere aanslag op te leggen over dezelfde periode. Het Hof oordeelde echter dat de Inspecteur op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd was tot het opleggen van de naheffingsaanslag, ook na vernietiging van de ambtshalve aanslag, en dat geen sprake was van schending van beginselen van behoorlijk bestuur.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad benadrukte dat het recht tot naheffen niet wordt beperkt door het feit dat de Inspecteur aanvankelijk een ambtshalve aanslag heeft opgelegd die later werd vernietigd. Ook stelde de Hoge Raad dat belanghebbende geen feiten had gesteld die een vertrouwenspositie jegens de Inspecteur konden rechtvaardigen.
De uitspraak onderstreept dat de Inspecteur een passieve rol heeft bij het constateren van te weinig geheven belasting en dat het opleggen van een naheffingsaanslag geen nieuw feit vereist. De procedurele stappen die belanghebbende had doorlopen, waaronder bezwaar en beroep, bieden geen grond om de naheffingsaanslag onrechtmatig te achten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Inspecteur bevoegd is een naheffingsaanslag op te leggen na vernietiging van een ambtshalve aanslag zonder schending van beginselen van behoorlijk bestuur.