Uitspraak
N.V. [X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 24 juni 1968, betreffende de aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor haar boekjaar 1965;
Hoge Raad
Belanghebbende stelde in 1954 een pensioenregeling in voor werknemers, waarbij ook inhaalpremies werden betaald voor dienstjaren vóór de regeling. Tot 1965 werden deze verplichtingen niet gepassiveerd, maar volledig ten laste van het resultaat gebracht. In 1965 wijzigde belanghebbende dit stelsel en passiverende zij de contante waarde van de pensioenverplichtingen, wat tot discussie leidde met de Inspecteur.
Het Hof oordeelde dat het oude stelsel niet in strijd was met goed koopmansgebruik en dat bij de wijziging slechts de toename van de verplichtingen in 1965 mocht worden gepassiveerd. Belanghebbende stelde dat herstel van fouten uit voorgaande jaren moest plaatsvinden en dat volledige passivering gerechtvaardigd was.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof. Goed koopmansgebruik staat toe dat pensioenverplichtingen worden gepassiveerd, maar niet dat bij stelselwijziging ineens de volledige contante waarde wordt opgenomen. Slechts de toename in het jaar van wijziging mag worden gepassiveerd. De onzekerheid over levensduur van oudere werknemers rechtvaardigt het oude stelsel en het nieuwe stelsel is een rechtvaardigde wijziging. De Hoge Raad verwierp de cassatiegronden en bevestigde de aanslagregeling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat bij wijziging van het waarderingsstelsel van pensioenverplichtingen slechts de toename in het jaar van wijziging mag worden gepassiveerd.