Uitspraak
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, rekwirant van cassatie ‘’in het belang der wet’’ tegen een vonniss van de Arrondissements-Rechtbank te
Haarlemvan 11 januari 1968, waarbij in hoger beroep, met vernietiging van een schriftelijk vonnis van de Kantonrechter te Haarlem van 25 oktober 1967,
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] , [geboortedatum] 1933, adjunct hoofd van de afdeling juridisch commerciële zaken van de N.V. Luchthaven Schiphol, wonende te [woonplaats] , is vrijgesproken van het hem telastegelegde;
De wet moet werken op alle wegen, die aldus feitelijk openstaan, onverschillig uit welke oorzaak’’ (cursivering van mij, R). De gedachte om deze specifieke betekenis ook afwijkend te omschrijven, was niet zo dwaas. Naderhand zijn er op dit punt wel moeilijkheden gerezen als in een wet, waar een dergelijke betekenis ook niet ondienstig was, toch de wegenrechtelijke terminologie was aangehouden, bv. in de Rijtijdenwet destijds (H.R. 10 mei 1955 N.J. 1955 no. 437). Ten aanzien van de M.R.W. en de in dit opzicht hiermee gelijk te stellen W.V.W. heeft uw Raad de bedoelingen van de wetgever uiteraard voor zover ik weet steeds gerespecteerd: Vgl. H.R. 13 mei 1958 N.J. 1958 no. 329, alsmede (wezenlijk) H.R. 1 dec. 1959 N.J. 1960 no. 65, in welk laatste geval het ook ging over een eigen weg van het (toenmalige) Schiphol, H.R. 6 nov. 1962 V.R. 1963 no. 49 en H.R. 7 mei 1963 V.R. 1963 no. 51. Zie voorts Ktr. Eindhoven 19 nov. 1953 V.R. 1954 no. 74. Zoals wij reeds deden uitkomen kent men ook in andere wettelijke regelingen deze niet-wegenrechtelijke ‘’openbaarheid’’ en daarmee soortgelijke problemen: Ik verwijs in dit verband naar concl. A.G. van Asch van Wijck vóór H.R. 24 juli 1947 N.J. 1947 no. 453; H.R. 28 april 1967 V.R. 1967 no. 110 en H.R. 20 juni 1967 N.J. 1967 no. 477.
daadwerkelijke, hetzij door
juridischematregelen, niet (meer) openstaat voor het algemene of openbare verkeer – populair gezegd voor jan-en-alleman-, waarbij het er niet toedoet, of wellicht sommige – algemene – verkeerscategorieën wel, andere niet toegelaten worden, bv. auto’s op een smal fietspad. In zoverre is de term ‘’alle’’ (verkeer), welke de Rechtbank gebruikt wellicht iets te ruim.
in het algemeenniet juist willen achten. Zodra het bestreden duidelijk wederrechtelijk is, kan de weg niet meer geacht worden ‘’open te staan’’, al is hij toegankelijk (H.R. 30 maart 1931 N.J. 1931 p. 1030). Wanneer wij aan de hand van bovenstaand criterium de argumentering van de Rechtbank toetsen, komen wij tot het volgend resultaat: