Uitspraak
[X],verblijvende aan boord van het binnenvaartuig [A], tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 5 April 1958 betreffende den hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1954;
Hoge Raad
Belanghebbende, een binnenschipper die zijn bedrijf uitoefent met een eigen rijnschip, bracht in 1954 extra kosten van levensonderhoud ten gevolge van een verblijf in Duitsland in mindering op zijn winst. De Inspecteur wees deze aftrek af, wat door het Gerechtshof werd bevestigd. Het hof overwoog dat kosten van levensonderhoud in principe particuliere uitgaven zijn, ook als ze door bedrijfsuitoefening worden beïnvloed.
Belanghebbende stelde in cassatie dat deze extra kosten wel degelijk als bedrijfskosten moeten worden aangemerkt omdat zij rechtstreeks voortvloeien uit de bedrijfsuitoefening, namelijk het verblijf in het buitenland om het bedrijf uit te oefenen. De Hoge Raad oordeelde dat kosten die een ondernemer maakt voor tijdelijk verblijf elders dan zijn woonplaats, voor zover zij de normale kosten overtreffen, als bedrijfskosten moeten worden beschouwd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en de beschikking van de Inspecteur en stelde het zuivere inkomen vast op een lager bedrag, rekening houdend met de aftrek van de extra kosten. Hiermee werd erkend dat de extra kosten van levensonderhoud tijdens het verblijf in Duitsland zakelijke kosten zijn die de winst verminderen.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de extra kosten van levensonderhoud tijdens het verblijf in Duitsland als bedrijfskosten aftrekbaar zijn en vermindert de aanslag.