ECLI:NL:HR:1948:2

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 1948
Publicatiedatum
13 juli 2018
Zaaknummer
50251
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Fick
  • van der Meulen
  • Feber
  • Rombach
  • Vrij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WegenverkeersregelingArt. 42 WegenverkeersregelingArt. 47 sub 1 Wetboek van StrafrechtArt. 23 Wetboek van StrafrechtArt. 105 Wet op de Rechterlijke Organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor overtreding van het naast elkaar fietsen met meer dan twee personen

Drie fietsers werden door de Kantonrechter ontslagen van alle rechtsvervolging wegens overtreding van artikel 24 van Pro de Wegenverkeersregeling. Het Openbaar Ministerie stelde cassatie in tegen dit vonnis. De Hoge Raad oordeelde dat de Kantonrechter ten onrechte een bestanddeel van wederrechtelijkheid in de tenlastelegging had gemist, waardoor de feiten onterecht als niet strafbaar werden beschouwd.

De Hoge Raad benadrukte dat het naast elkaar fietsen met meer dan twee personen duidelijk verboden en strafbaar is gesteld in de Wegenverkeersregeling. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat alleen degene die door wederrechtelijk handelen de verboden toestand veroorzaakt strafbaar is, terwijl ook degene die de verboden situatie laat voortduren strafbaar is.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het vonnis van ontslag van rechtsvervolging en stelde vast dat alle drie de fietsers strafbaar zijn wegens het naast elkaar fietsen met meer dan twee personen. Vervolgens veroordeelde de Hoge Raad ieder van hen tot een geldboete van drie gulden, te vervangen door een dag hechtenis bij niet betaling.

Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt drie fietsers tot een geldboete wegens het naast elkaar fietsen met meer dan twee personen.

Uitspraak

No 50251.
De Hooge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van
den Ambtenaar van het Openbaar Ministeriebij het Kantongerecht te
Sneek, requirant van cassatie tegen een bij verstek gewezen schriftelijk vonnis van den Kantonrechter aldaar van den derden September 1947, waarbij 1.
[gerequireerde 1], geboren [geboortedatum] 1924 te
[geboorteplaats], smidsknecht, wonende te
[woonplaats], 2.
[gerequireerde 2], geboren [geboortedatum] 1923 te
[geboorteplaats], houtbewerker, wonende te
[woonplaats], 3.
[gerequireerde 3], geboren [geboortedatum] 1929 te
[geboorteplaats], boerenknecht, wonende te
[woonplaats], verdacht van overtreding van artikel 24 van Pro de Wegenverkeersregeling, te dier zake van alle rechtsvervolging zijn ontslagen.
Gehoord het verslag van den Raadsheer
Rombach;
Gezien het gerechtelijk schrijven, namens den Procureur-Generaal aan de gerequireerden uitgereikt, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald;
Gelet op het middel van cassatie door den requirant voorgesteld bij schriftuur, waarbij betoogd wordt dat ten aanzien van ieder der, gerequireerden de artikelen 24 en 42 der Wegenverkeersregeling geschonden zijn;
Gehoord den Advocaat—Generaal
Langemeijer, namens den Procureur—Generaal, in zijne mondelinge conclusie, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het ingestelde beroep;
Overwegende dat de Kantonrechter ten laste van de gerequireerden overeenkomstig de telasteleggingen bewezen heeft verklaard: dat zij op 14 April 1947 omstreeks half een in den morgen in de gemeente Wijmbritseradeel onder Oosthein als bestuurder van een rijwiel daarmede hebben gereden over den voor het openbaar verkeer openstaanden rijweg, den Oosthemmerweg, voorzoveel gerequireerde [gerequireerde 1] betreft, tussen twee andere wielrijdende personen en voorzoveel de andere gerequireerden aangaat, naast twee andere wielrijdende personen;
Overwegende dat bovenvermeld ontslag van alle rechtsvervolging is uitgesproken op de navolgende gronden: dat in artikel 42 der Pro Wegenverkeersregeling onder meer strafbaar wordt gesteld het overtreden van enige bepaling van dat Besluit, in casu van de bepaling, dat wielrijders niet met meer dan twee personen naast elkander mogen rijden, waaruit dus volgt, dat slechts hij zich aan een overtreding als bedoeld in artikel 42 der Pro Wegenverkeersregeling schuldig maakt en derhalve het feit heeft gepleegd in den zin van artikel 47 sub Pro 1 van het Wetboek van Strafrecht, die door zijn wederrechtelijk handelen den verboden toestand van het naast elkander voortrijden met meer dan twee wielrijders heeft veroorzaakt, derhalve hij, die als derde man naast of tussen twee anderen naast elkaar voortrijdende wielrijders gaat rijden, of hij die dezen verboden toestand laat voortduren, terwijl het in zijn vermogen is, doch tevens de plicht op hem rust, om aan dien verboden toestand een einde te maken; dat in de telastelegging dit element der wederrechtlijkheid echter feitelijk moet zijn omschreven, wil er van een plegen van een strafbaar feit in den zin van artikel 47 sub Pro 1 van het Wetboek van Strafrecht sprake zijn, doch dit element in de onderhavige telastelegging ontbreekt, zodat de feiten, zoals die aan de verdachten zijn telastegelegd, niet strafbaar zijn;
Overwegende naar aanleiding van voornoemd middel, dat artikel 24 der Pro Wegenverkeersregeling bepaalt dat wielrijders niet met meer dan twee personen naast elkander mogen rijden, terwijl artikel 42 dierzelfde Pro Regeling het overtreden dezer bepaling strafbaar stelt;
Overwegende dat, nu hier een duidelijk omschreven gedraging verboden en strafbaar gesteld is, geen grond bestaat voor de opvatting, dat slechts hij dit feit heeft gepleegd, die door zijn wederrechtelijk handelen een verboden toestand als door den Kantonrechter beschreven heeft veroorzaakt;
Overwegende dat de Kantonrechter derhalve in de telastelegging ten onrechte voor strafbaarheid een bestanddeel heeft gemist, doch bedoelde gedraging een strafbaar feit oplevert, tenzij van enigen strafuitsluitingsgrond blijkt;
Overwegende dat mitsdien artikel 24 der Pro Wegenverkeersregeling geschonden is en de zaak ten principale kan worden berecht;
Vernietigt het beroepen vonnis, behoudens de daarbij uitgesproken bewezenverklaring en
Rechtdoende krachtens artikel 105 der Pro Wet op de Rechterlijke Organisatie:
Beslist dat het bewezenverklaarde ten aanzien van alle gerequireerden oplevert: ‘’als wielrijder naast meer dan één wielrijder rijden’’, strafbaar gesteld bij de artikelen 24 en 42 van de Wegenverkeersregeling en artikel 23 van Pro het Wetboek van Strafrecht, terwijl alle gerequireerden deswege strafbaar zijn, omdat van een strafuitsluitingsgrond niet gebleken is;
Veroordeelt ieder van hen in een geldboete van drie gulden bij niet betaling of verhaal te vervangen door een dag hechtenis, zijnde deze straffen in overeenstemming met den ernst der overtreding.
Gewezen te ’s-Gravenhage bij de Heren Fick, Vice-President, van der Meulen, Feber, Rombach en Vrij, Raden, in bijzijn van den Substituut-Griffier Achterbergh, die dit arrest hebben ondertekend, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den negenden Maart 1900 Acht en Veertig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren alsmede van de Advocaat-Generaal Langemeijer.