Uitspraak
den Minister van Financiëntegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te
Utrechtvan 29 November 1939 betreffende den aanslag in de inkomstenbelasting, belastingjaar 1935/1936, opgelegd aan
[X]te
[Z];
Hoge Raad
De zaak betreft een vennootschap onder firma waarbij een vennoot, [C], in 1934 overleed. De overblijvende vennoten namen het kapitaalsaandeel van de overleden vennoot over tegen de balanswaarde, maar de onroerende goederen bleken bij taxatie aanzienlijk minder waard dan in de balans was opgenomen.
De Inspecteur weigerde het verlies op de bedrijfswinst over 1934 volledig in aftrek te brengen, stellende dat het verschil vooral het gevolg was van het nalaten van afschrijvingen in voorgaande jaren. De belanghebbende stelde dat bijzondere omstandigheden, waaronder het overlijden van de vennoot en de overnemingsclausule, een herwaardering van de activa rechtvaardigden.
De Raad van Beroep oordeelde dat bijzondere omstandigheden inderdaad een herwaardering rechtvaardigden en vernietigde de aanslag gedeeltelijk. De Minister van Financiën stelde cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad overweegt dat de Raad van Beroep terecht bijzondere omstandigheden heeft aangenomen die een herwaardering van de activa rechtvaardigen, maar dat het verlies dat voortvloeit uit het nalaten van afschrijvingen in voorgaande jaren niet ten laste mag komen van de winst over 1934. De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak en verwijst de zaak terug naar de Raad van Beroep voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de Raad van Beroep en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling met inachtneming van het arrest.