ECLI:NL:HR:1935:146

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 1935
Publicatiedatum
13 juli 2018
Zaaknummer
38524
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Visser
  • Taverne
  • Schepel
  • Kirberger
  • Donner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Vuurwapenwet 1919Art. 14 Vuurwapenwet 1919Art. 64 DrankwetArt. 121 Wetboek van StrafvorderingArt. 348 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor belemmering ambtshandeling gemeenteveldwachter bij controle Drankwet en Vuurwapenwet

In deze strafzaak stond de vraag centraal of een gemeenteveldwachter bevoegd was een geweer in beslag te nemen in de woning van de verdachte, een caféhouder, die alleen toestemming had gegeven voor een controle op grond van de Drankwet. De veldwachter was met een last op grond van de Drankwet tegen de wil van de bewoner de woning binnengetreden en trof daar een geweer aan.

De rechtbank sprak verdachte vrij omdat zij oordeelde dat de veldwachter niet bevoegd was het geweer in beslag te nemen zonder een aparte schriftelijke last op grond van de Vuurwapenwet. De Hoge Raad stelde echter dat de aanwezigheid van de veldwachter in de woning op grond van de Drankwet niet uitsluit dat hij ook opsporingsbevoegdheden op grond van andere wetten kan uitoefenen.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het gerechtshof dat de vrijspraak bevestigde en verwees de zaak terug voor hernieuwde berechting. De zaak benadrukt de samenhang en reikwijdte van opsporingsbevoegdheden en het belang van een juiste interpretatie van wettelijke bevoegdheden bij ambtshandelingen in woningen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nieuwe berechting met de juiste uitleg van de bevoegdheden van de gemeenteveldwachter.

Uitspraak

No. 38524.
De Hooge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van den Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te
's-Hertogenbosch, requirant van cassatie tegen een arrest van gemeld Gerechtshof van den zeventienden Juni 1935, houdende bevestiging in hooger beroep van eene door de Arrondissements-Rechtbank te Breda op 21 Maart 1935 gedane uitspraak, waarbij de gerequireerde
[gerequireerde], caféhouder, geboren [geboortedatum] 1902 te
[geboorteplaats], wonende te
[woonplaats], van het hem ten laste gelegde is vrijgesproken.
Gehoord het verslag van den Raadsheer
Taverne;
Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den gerequireerde beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald;
Gelet op de middelen van cassatie, door den requirant voorgesteld bij schriftuur:
1. Schending van de artikelen 348, 350, 352, 358, 359 juncto 415 en 423 van het Wetboek van Strafvordering;
2. Schending door niet toepassing van de artikelen 180 van het Wetboek van Strafrecht, 14, 15 Vuurwapenwet 1919;
Gehoord den Advocaat-Generaal
Berger, namens den Procureur-Generaal, in zijn conclusie, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing der zaak naar een aangrenzend Gerechtshof, ten einde op het bestaand hooger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan;
Overwegende dat, nu het beroep tegen eene vrijspraak is gericht, allereerst moet worden onderzocht, of het beroep ontvankelijk is;
Overwegende dienaangaande:
dat aan den gerequireerde bij inleidende dagvaarding is ten laste gelegd, dat hij op of omstreeks 10 December 1934 onder de gemeente [plaats], toen de gemeenteveldwachter [getuige 1] aldaar een geweer, hetwelk hij, verdachte, in de door hem bewoonde woning plaatselijk gemerkt [woonplaats] onbevoegdelijk voorhanden had, had vastgepakt ten einde dat geweer op grond van het bepaalde in artikel 15 der Pro Vuurwapenwet 1919 in beslag te nemen opzettelijk deze door dien ambtenaar ondernomen handeling heeft belemmerd door opzettelijk krachtdadig aan dat geweer, hetwelk die veldwachter vasthield, te rukken en te trekken;
Overwegende dat de door de Rechtbank in het bevestigde vonnis gegeven vrijspraak steunt op de navolgende overwegingen:
dat bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat verdachte op 10 December 1934, toen de gemeenteveldwachter [getuige 1] in de keuken van verdachte's woning onder [plaats] een geweer, dat deze aldaar onbevoegdelijk voorhanden had, had vastgegrepen om dit in beslag te nemen, aan dat geweer opzettelijk heeft getrokken;
dat tevens vaststaat, dat verdachte, toen even te voren getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2], adj. inspecteur der Drankwet die keuken binnentraden en hun voornemen om aldaar krachtens de Drankwet te controleeren, hadden kenbaar gemaakt, tot deze personen heeft gezegd: ‘’Als jullie voor de drankwet komen, kun je het heele huis vrij afzoeken’’;
dat de Rechtbank van oordeel is, dat verdachte door die woorden zijn toestemming tot het binnentreden en verblijven in zijn woning voor genoemde personen uitdrukkelijk beperkte tot de contrôle der Drankwet, en hij hun den toegang tot en het verblijf in zijn woning tot eenig ander doel weigerde;
dat tevens is komen vast te staan dat genoemde personen alleen voorzien waren van een last om verdachte's woning binnen te treden krachtens artikel 64 der Pro Drankwet verstrekt door den Burgemeester van [plaats];
dat naar analogie van artikel 121 Wetboek Pro van Strafvordering moet worden aangenomen, dat die last uitsluitend en alleen strekte tot het bijzondere doel van Drankwet-controle, en de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] tot eenig ander doel op grond van dien last al evenmin in verdachte's woning mochten verblijven;
dat wel artikel 15 der Pro Vuurwapenwet 1919 bovenbedoelde ambtenaren te allen tijde bevoegd verklaart onder andere om in beslag te nemen een geweer, dat onbevoegdelijk voorhanden is, doch dit artikel moet gelezen worden in samenhang met het voorafgaande, en zij — nu hun voor de contrôle der vuurwapenwet de toegang geweigerd was — zich ten fine
daarvanzonder schriftelijken last als in artikel 14 omschreven Pro in verdachte's woning niet mochten bevinden en getuige [getuige 1] dus ook niet bevoegd was aldaar een geweer in beslag te nemen
op grond van het bepaalde in artikel 15 der Pro Vuurwapenwet 1919;
Overwegende dat uit deze overwegingen blijkt, dat de Rechtbank de telastelegging
feitelijkaldus heeft opgevat — eene opvatting, welke met de bewoordingen volkomen vereenigbaar is — dat door de woorden ‘’op grond van het bepaalde in artikel 15 der Pro Vuurwapenwet 1919’’ is uitgedrukt, dat de gemeenteveldwachter ingevolge genoemd wetsartikel
bevoegdwas het geweer in beslag te nemen, welke bevoegdheid echter, op grond van voormelde beschouwingen, door de Rechtbank niet aanwezig wordt geacht;
Overwegende dat uit hetgeen de Rechtbank heeft overwogen, moet worden afgeleid, dat getuige [getuige 1] aanvankelijk niet tegen den wil der bewoner aanwezig was in de keuken van diens woning, in welke keuken zich het geweer, dat verdachte onbevoegdelijk voorhanden had, bevond, en in elk geval voorzien was van een schriftelijken last ingevolge artikel 64 van Pro de Drankwet om tegen den wil van den bewoner diens woning binnen te treden; - voorts dat de bewoner vóór de inbeslagneming uitdrukkelijk had te kennen gegeven, dat hij aanwezigheid van [getuige 1] in zijn woning slechts wilde dulden voor een contrôle betreffende de Drankwet;
dat het dus de vraag is, of de krachtens artikel 15 juncto Pro 14, eerste lid, der Vuurwapenwet bestaande bevoegdheid van getuige [getuige 1] om een onbevoegdelijk voorhanden geweer in beslag te nemen, onder die omstandigheden niet aanwezig moet worden geacht, met name ook doordat de bewoner had te kennen gegeven, dat hij aanwezigheid van [getuige 1] in zijne woning niet wilde dulden voor eene contrôle betreffende de Vuurwapenwet, waartoe deze getuige geen bijzonderen schriftelijken last bezat;
Overwegende dat de Hooge Raad deze vraag ontkennend beantwoordt;
dat toch niet mag worden aangenomen, dat de omstandigheid, dat een ambtenaar alleen ter contrôle ingevolge de Drankwet in een woning aanwezig is en daar, uit dien hoofde, ook tegen den wil van den bewoner, aanwezig mag blijven, dien ambtenaar belet om op diezelfde plaats opsporingsbevoegdheden, steunende op eene andere wet dan de Drankwet, uit te oefenen; - dat met name uit artikel 121 van Pro het Wetboek van Strafvordering, waarop de Rechtbank een beroep heeft gedaan, niet het tegendeel volgt, daar dit artikel wel regelt de bevoegdheid om tegen den wil van een bewoner diens woning binnen te treden, doch niet inhoudt eene beperking van andere opsporingsbevoegdheden;
dat daaraan ook niet kan afdoen, dat in het onderhavige geval de caféhouder uitdrukkelijk had te kennen gegeven alleen de contrôle ingevolge de Drankwet te willen toestaan, omdat de vraag, welke bevoegdheden de getuige [getuige 1] in de woning had, nu deze getuige in verband met den hem ingevolge de Drankwet verstrekten last de woning tegen den wil van den caféhouder mocht binnentreden, reeds daarom hare beantwoording niet in den wil van den bewoner kan vinden;
Overwegende dat uit het voorafgaande volgt, dat de vrijspraak, als niet gegeven op den grondslag der telastelegging, immers als uitgaande van eene onjuiste opvatting van voorschreven bevoegdheid ingevolge artikel 15 der Pro Vuurwapenwet 1919, niet kan gelden als eene vrijspraak, als bij artikel 430 van Pro het Wetboek van Strafvordering bedoeld, zoodat het beroep ontvankelijk is;
Overwegende dat uit het voorafgaande tevens volgt, dat het
eerstemiddel — daargelaten de al of niet juistheid van hetgeen tot toelichting van dit middel door requirant in zijne schriftuur is aangevoerd — gegrond is, zoodat het tweede middel buiten onderzoek kan blijven;
Vernietigt het bestreden arrest en
Rechtdoende krachtens artikel 106 der Pro Wet op de Rechterlijke Organisatie;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te
Arnhemter berechting en afdoening op het bestaande hooger beroep, met inachtneming van dit arrest.
Gewezen te ’s-Gravenhage bij de Heeren Visser, Vice-President, Taverne, Schepel, Kirberger en Donner, Raden, in bijzijn van den Griffier Suyling, die dit arrest hebben onderteekend, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den tweeden December 1900 Vijf en Dertig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren, alsmede van den Advocaat-Generaal Berger.