Art. 7 Wet op de Inkomstenbelasting 1914Art. 10 Wet op de Inkomstenbelasting 1914Art. 11 Wet op de Inkomstenbelasting 1914
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling aftrek sloopkosten bedrijfspand bij uitbreiding zaak volgens goed koopmansgebruik
In deze zaak stond centraal of de belanghebbende de kosten van de volledige sloop van zijn winkel- en drukkerijgebouw in 1928, ter waarde van ƒ 1640,-, mocht aftrekken van zijn opbrengst uit bedrijf. De belanghebbende had het pand gesloopt om het te vervangen door een nieuw gebouw dat beter paste bij de exploitatie van zijn bedrijf.
De Raad van Beroep had geoordeeld dat de sloopkosten als verliespost konden worden afgetrokken, omdat het ging om onttrekking van bedrijfsmiddelen. De Inspecteur was het hier niet mee eens en stelde dat de sloopkosten niet in mindering mochten worden gebracht omdat deze samenhingen met een verbetering van het bedrijf.
De Hoge Raad stelde vast dat de sloop niet plaatsvond omdat de gebouwen waardeloos waren, maar vanwege de noodzaak tot vervanging voor een betere bedrijfsvoering. Daarom moeten de sloopkosten en de kosten van de nieuwbouw worden gezien als investeringen in verbetering van het bedrijfsmiddel, die niet als kosten in het betreffende jaar mogen worden afgetrokken.
De zaak werd vernietigd en verwezen naar de Raad van Beroep voor verdere behandeling, waarbij ook de juiste afschrijving op de nieuwe gebouwen volgens goed koopmansgebruik moet worden vastgesteld. De Hoge Raad benadrukte dat in de eerste periode na verbouwing een hoger afschrijvingspercentage geoorloofd kan zijn.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 7, 10 en 11 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 met betrekking tot sloopkosten en afschrijving bij bedrijfsuitbreiding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en verwijst de zaak terug voor beoordeling van afschrijving op sloop- en nieuwbouwkosten volgens goed koopmansgebruik.
Uitspraak
No 5403.
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van den Minister van Financiëntegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te ’s-Hertogenboschvan 27 Februari 1932, betreffende den aanslag van [X]te [Z]in de Inkomstenbelasting over 1929/1930;
Gezien de stukken;
Gelet op de schriftelijke conclusie van den Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging der bestreden uitspraak en tot handhaving der beschikking van den Inspecteur;
Overwegende dat het eenige punt van geschil hierin bestond, of belanghebbende van de opbrengst van zijn bedrijf mag aftrekken een som van ƒ 1640.-, ter zake van algeheele slooping in 1928 van zijn winkel en drukkerijgebouw, welke vraag de Inspecteur ontkennend, doch belanghebbende bevestigend beantwoordde;
dat de Raad van Beroep hieromtrent feitelijk heeft vastgesteld:
"dat appellant op 1 Mei 1929 een boekhandel en drukkerij dreef en dat ter zake in casu artikel 13 derPro Wet op de Inkomstenbelasting 1914 toepasselijk is;
dat appellant in 1928 het winkelgebouw en drukkerijgebouw, waarin appellant zijn bedrijf uitoefende, geheel heeft gesloopt en door nieuwe vervangen;
dat de waarde der gesloopte gebouwen bij den aanvang der slooping kan worden gesteld op ƒ 1640.-;
dat behoorlijke exploitatie van appellant’s bedrijf en de toestand dier gebouwen afbraak daarvan en vervanging door nieuwe vereischten;"
dat de Raad uit deze feiten de conclusie heeft getrokken: "dat appellant dus in 1928 ter zake van de richtige exploitatie van zijn bedrijf bedrijfsmiddelen ter waarde van ƒ 1640.-, in casu gebouwen door slooping heeft vernietigd en aan zijn bedrijf onttrokken", en de Raad vervolgens belanghebbende in het gelijk heeft gesteld en heeft beslist, dat hij recht heeft op den door hem gevraagden aftrek, na te hebben overwogen:
"dat weliswaar enerzijds de door de wet toegestane afschrijving op bedrijfsmiddelen zich beperkt tot de waardevermindering welke die middelen, tengevolge van het gebruik daarvan, in het bedrijf ondergaan, maar dat anderzijds de wet toelaat en goed koopmansgebruik en juiste vaststelling van de bedrijfswinst medebrengt, om ingeval van onttrekking van de bedrijfsgebouwen aan het bedrijf door slooping hun waarde, - zooals deze alsdan is in verband met toepassing van normale afschrijvingen – bij de winstbepaling als verliespost in aanmerking te doen komen, zooals zulks tevens ook een economische bedrijfsvoering redelijkerwijze medebrengt;"
Overwegende dat in cassatie is gesteld:
Schending of verkeerde toepassing van artikel 7 derPro Wet op de Inkomstenbelasting 1914 in verband met artikel 11 dierPro wet, - terwijl de Minister tot toelichting heeft aangevoerd, dat belanghebbende in zijn beroepschrift aan den Raad heeft geschreven, dat door belangrijke uitbreiding der zakenin 1928 het geheele pand totaal moest worden gesloopt, daar alleen hierdoor ruimte te winnen was en dat het verlies, tengevolge van de gedwongen slooping ten behoevevan uitbreidingder zaak, aangemerkt moet worden als verlies op bedrijfsmiddelen; - dat de Minister nu betoogt, dat bij het bepalen van de opbrengst van een bron van inkomen niet in mindering moet worden gebracht hetgeen wordt aangewend tot verbetering der bron, en dat het verlies van een bedrijfsmiddel hier niet in mindering mag komen, nu de slooping heeft plaats gevonden tot uitbreiding van het bedrijf;
Overwegende hieromtrent:
dat blijkens de uitspraak de slooping niet is geschied, omdat de gebouwen waardeloos waren geworden, maar omdat voor de behoorlijke exploitatie van belanghebbende’s bedrijf noodig was, dat zij door nieuwe werden vervangen;
dat daarom de waarde der gesloopte gebouwen, welke ten offer werden gebracht aan de uitbreiding van het bedrijf, evenals de kosten besteed voor de oprichting der nieuwe gebouwen, beschouwd moeten worden als uitgaven voor verbetering of verandering van zaken, die gebruikt worden voor de uitoefening van belanghebbende’s bedrijf, welke uitgaven, volgens artikel 11 derPro Wet op de Inkomstenbelasting 1914, niet als bedrijfs- of beroepskosten worden beschouwd en niet mogen komen in mindering van de opbrengst van het bedrijf;
dat bedoelde gezamenlijke uitgaven de aanschaffingskosten vormen der tegenwoordige gebouwen, waarop volgens het tweede lid van artikel 10 derPro aangehaalde wet mag worden afgeschreven, en de Raad derhalve nog zal moeten onderzoeken en beslissen of en, zoo ja, tot welk bedrag in gemeld jaar op die gezamenlijke kosten naar goed koopmansgebruik afschrijving gerechtvaardigd is wegens vermindering van bedrijfswaarde tengevolge van het bedrijfsgebruik;
dat hierbij nog wordt opgemerkt, dat goed koopmansgebruik niet eischt, dat te allen tijde hetzelfde percentage van afschrijving wordt aangenomen, doch ook kan meebrengen, dat in de eerste periode na de verbouwing een hooger percentage geoorloofd is dan later, ingeval de bedrijfswaarde van het pand in die periode sneller daalt dan later;
dat het middel derhalve gegrond is;
Vernietigt de uitspraak, en
Verwijst het geding naar den Raad van Beroep voornoemd, ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in voltallige vergadering, met inachtneming van dit arrest.
Gedaan bij de Heeren Segers, Vice-President, Polak, Van Woudenberg Hamstra, Fick en Nypels, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den twaalfden October 1900 Twee en Dertig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Somer.