Uitspraak
den Minister van Financiëntegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te
’s-Hertogenboschvan 27 Februari 1932, betreffende den aanslag van
[X]te
[Z]in de Inkomstenbelasting over 1929/1930;
den Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging der bestreden uitspraak en tot handhaving der beschikking van den Inspecteur;
uitbreiding der zakenin 1928 het geheele pand totaal moest worden gesloopt, daar alleen hierdoor ruimte te winnen was en dat het verlies, tengevolge van de gedwongen slooping
ten behoevevan
uitbreidingder zaak, aangemerkt moet worden als verlies op bedrijfsmiddelen; - dat de Minister nu betoogt, dat bij het bepalen van de opbrengst van een bron van inkomen niet in mindering moet worden gebracht hetgeen wordt aangewend tot verbetering der bron, en dat het verlies van een bedrijfsmiddel hier niet in mindering mag komen, nu de slooping heeft plaats gevonden tot uitbreiding van het bedrijf;