Uitspraak
den Officier van Justitiebij de Arrondissements-Rechtbank te
’s-Gravenhage, requirant van cassatie tegen een vonnis van gemelde Rechtbank van den vijfden Juni 1930, waarbij in hooger beroep is bevestigd een door het Kantongerecht te
’s-Gravenhageop 28 November 1929 gedane uitspraak, bij welke de gerequireerden
[gerequireerde 1], geboren te
[geboorteplaats][geboortedatum] 1888 en
[gerequireerde 2], zich noemende en schrijvende
[gerequireerde 2], geboren te
[geboorteplaats][geboortedatum] 1884, beiden directeur van een tooneelgezelschap, wonende te
’ [woonplaats], ter zake van hetgeen hun was ten laste gelegd, van alle rechtsvervolging zijn ontslagen;
Taverne;
Van Lier, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep;
1°. [betrokkene 1] , geboren [geboortedatum] 1922,
2°. [betrokkene 2] , geboren [geboortedatum] 1922,
3°. [betrokkene 3] , geboren [geboortedatum] 1920,
4°. [betrokkene 4] , geboren [geboortedatum] 1919,
5°. [betrokkene 5] , geboren [geboortedatum] 1922, niet hebben gezorgd, dat gemelde arbeid door genoemde personen toen aldaar niet werd verricht, althans gemelde arbeid door genoemde personen op hun last hebben doen verrichten;
ambtshalve:
tijdensof
nahet plegen van het feit – gedane mededeeling als aan het slot van meergenoemde bepaling bedoeld dan ook geen sprake is; dat immers de Kantonrechter heeft vastgesteld, dat reeds tevoren aan de Arbeidsinspectie was medegedeeld, dat de overtreding zou worden gepleegd en hier dan ook – nu van omstandigheden als het invallen bij een plotseling ziektegeval niet is gerept – uit den aard der zaak geruimen tijd tevoren bekend was, dat de genoemde arbeid door de bij dagvaarding genoemde kinderen zou worden verricht;