ECLI:NL:HR:1929:372
Hoge Raad
- Cassatie
- Fentener van Vlissingen
- Kosters
- Schepel
- Van Gelein Vitringa
- Kirberger
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geldigheid betalingsregeling bij pandrecht ondanks afwijking wettelijke verhaalregels
In deze zaak stond centraal de vraag of een overeenkomst tussen schuldeiser en schuldenaar, waarbij de schuldeiser het pandrecht onderhands mocht gelde maken tegen de Amsterdamse middenkoers, geldig was ondanks dat deze wijze van verhaal afweek van de dwingende wettelijke bepalingen in het Burgerlijk Wetboek.
De schuldenaar had twee aandelen als pand gegeven voor een geldlening. Bij daling van de beurswaarde tot onder een bepaalde overwaarde werd de schuld opeisbaar en mocht de schuldeiser het pand gelde maken zonder nadere ingebrekestelling. De schuldeiser maakte het pand onderhands gelde en rekende af tegen middenkoers, terwijl de schuldenaar later opdracht gaf tot verkoop tegen een hogere koers, wat niet werd uitgevoerd.
De rechtbank wees de vordering van de schuldenaar af en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat de tussen partijen gesloten betalingsregeling een zelfstandige overeenkomst was die niet in strijd was met de wettelijke bepalingen die het verhaal van pand regelen, omdat deze regeling buiten het pandrecht om was gesloten nadat de schuld opeisbaar was geworden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de wettelijke bepalingen ter bescherming van de schuldenaar en andere schuldeisers niet van toepassing waren op deze betalingsregeling, waardoor de afwijking van de wettelijke verhaalregels niet tot nietigheid leidde. De schuldeiser mocht het pand onderhands gelde maken en afrekenen tegen middenkoers zonder onrechtmatig te handelen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd; de betalingsregeling is rechtsgeldig.