Uitspraak
:
Hoge Raad
Appellant, handelend onder een firma te Paramaribo, gaf op 21 september 1916 een aangetekende brief met een waarde van 4050 gulden ter verzending af aan de koloniale posterij. Deze brief werd echter niet aan de geadresseerde te Nieuw-Nickerie uitgereikt, maar door een postbeambte aldaar ontvreemd. Appellant vorderde vergoeding van de volledige schade, terwijl de Kolonie Suriname slechts een vergoeding van 25 gulden bood, conform het postreglement van 1907.
Het Hof van Justitie in Suriname oordeelde dat tussen partijen een overeenkomst bestond op grond van het postreglement, waarin de aansprakelijkheid van de posterij beperkt is tot maximaal 25 gulden bij verlies of vermissing van aangetekende stukken. Appellant stelde hoger beroep in tegen dit vonnis.
De Hoge Raad overweegt dat de wettelijke aansprakelijkheid van de Kolonie Suriname voor onrechtmatige daden van haar ambtenaren niet wordt beperkt door het postreglement, maar dat partijen wel een overeenkomst kunnen sluiten die aansprakelijkheid beperkt. De diefstal door de postbeambte wordt als verlies onder het postreglement beschouwd, waardoor de aansprakelijkheid beperkt is. De Hoge Raad vernietigt het vonnis voor zover de vordering van appellant geheel werd afgewezen en veroordeelt de Kolonie tot betaling van 25 gulden met wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De rest van het vonnis wordt bevestigd en appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De Kolonie Suriname is aansprakelijk voor een schadevergoeding van 25 gulden met wettelijke rente vanwege diefstal van een aangetekende brief door een postbeambte.