Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:968

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
20-002484-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 417bis SrArt. 9a SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling schuldheling jeugdige tot voorwaardelijke taakstraf

De verdachte, een 14-jarige jongen met ontwikkelingsproblemen, werd door de kinderrechter veroordeeld voor schuldheling wegens het kopen en doorverkopen van een vermoedelijk gestolen mountainbike. De verdachte kocht de fiets impulsief van een onbekende man voor een lage prijs en bood deze binnen enkele dagen te koop aan voor een hogere prijs.

In hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit, stellende dat de verdachte niet redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de fiets gestolen was vanwege zijn leeftijd en omstandigheden. Het hof oordeelde echter dat de verdachte met aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, omdat hij geen onderzoek deed naar de herkomst en bewust probeerde voordeel te behalen.

De advocaat-generaal vorderde een deels onvoorwaardelijke taakstraf, terwijl de raadsman van de verdachte toepassing van artikel 9a Sr bepleitte vanwege persoonlijke omstandigheden en eerdere Halt-maatregelen. Het hof vond een geheel voorwaardelijke taakstraf passend, gelet op de ernst van het feit en de maatschappelijke schade van schuldheling.

Het hof bevestigde het vonnis van de kinderrechter en legde een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur op, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 1 jaar. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte leidden niet tot strafuitsluiting of toepassing van artikel 9a Sr.

De uitspraak werd op 3 april 2026 door het hof 's-Hertogenbosch gewezen.

Uitkomst: De verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uren met een proeftijd van 1 jaar wegens schuldheling.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002484-25
Uitspraak : 3 april 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-356052-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de kinderrechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘schuldheling’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 1 jaar.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, waarvan 10 uren, subsidiair 5 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Meer subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden en de strafmotivering waarop het berust.
Aanvulling bewijsmiddelen
Het hof zal, indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de inhoud van de door de kinderrechter opgesomde bewijsmiddelen uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. De kinderrechter heeft in het vonnis waarvan beroep immers volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven, terwijl het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Aanvulling bewijsoverweging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem verweten schuldheling. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het de vraag is of van een persoon als de verdachte, een 14-jarige jongen die te kampen heeft met allerlei ontwikkelingsproblemen, kan worden verwacht dat hij redelijkerwijs het vermoeden had moeten hebben dat de door hem gekochte fiets gestolen was. De verdachte zag er niets geks in toen hij werd benaderd door een man die hem een fiets te koop aanbood en heeft impulsief gehandeld door op dit aanbod in te gaan.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor een veroordeling ter zake van schuldheling is ingevolge artikel 417bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht vereist dat ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen van het bewuste goed sprake is van schuld ten aanzien van de omstandigheid dat het desbetreffende goed door misdrijf is verkregen. In de woorden “redelijkerwijs moeten vermoeden” komt de schuld tot uitdrukking. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het hier gaat om “grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid” en dat daarvan sprake is indien de verdachte in de gegeven omstandigheden bij enig nadenken had kunnen vermoeden dat het goed gestolen/van misdrijf afkomstig was en derhalve zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Wat van de verdachte omtrent de in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Van belang in dit verband is de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte de fiets voorhanden heeft gekregen. De verdachte heeft daarover verklaard dat toen hij vanaf het zwembad in Breda naar de bushalte liep, hij door een hem onbekende man werd benaderd met de vraag of hij een fiets wilde kopen. De verdachte is met de man meegelopen naar de fiets die iets verderop op de weg bij een boom stond, De man vroeg € 150,00 voor de fiets. De verdachte vond dat een mooie prijs voor de fiets, een mountainbike en heeft de fiets ter plekke van de man gekocht en contant betaald. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de man niet heeft gevraagd om een bonnetje, terwijl zijn moeder hem altijd gewaarschuwd heeft om bonnetjes te vragen.
Het hof stelt vast dat de verdachte – naar hij verklaart – een mountainbike aangeboden heeft gekregen op straat van een vreemde voor de prijs van slechts € 150 waarbij de verdachte niet heeft gevraagd naar of enig onderzoek heeft gedaan naar de herkomst van de mountainbike. Bovendien heeft de verdachte dezelfde fiets binnen 3 dagen te koop aangeboden voor een prijs van € 500 op marktplaats en vervolgens getracht te verkopen voor een prijs van € 350. Dat getuigt naar het oordeel van het hof niet van naïef en onwetend handelen, maar eerder van het bewust voordeel proberen te behalen uit een meevaller die te mooi was om waar te zijn.
Onder voornoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte bij enig nadenken had kunnen en moeten begrijpen dat er iets niet in de haak was met de mountainbike en had hij, zonder navraag of onderzoek deze niet mogen kopen en doorverkopen. Dat de verdachte 14 jaar was ten tijde van de koop en te maken heeft met problemen in zijn ontwikkeling, doet daar niet aan af. De verdachte heeft aldus met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid gehandeld.
Het verweer wordt verworpen.
Aanvulling strafmotivering
De advocaat-generaal heeft oplegging van een deels onvoorwaardelijke werkstraf gevorderd en de raadsman heeft toepassing van het bepaalde van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat, kort gezegd, er al een Halt-traject heeft plaatsgevonden, er een onderzoek heeft plaatsgevonden door de Raad voor de Kinderbescherming, de verdachte first offender is, er sprake is van tijdsverloop, de verdachte veel heeft meegemaakt en dat de verdachte opnieuw onder behandeling gaat bij een psycholoog.
Het hof overweegt als volgt.
Met de kinderrechter en anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 1 jaar, in het onderhavige geval passend is. In de door de raadsman aangevoerde omstandigheden ziet het hof aanleiding om geen onvoorwaardelijke straf op te leggen.
De door de verdediging bepleite schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel doet naar het oordeel onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit feit door de verdachte is begaan. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling. Heling bevordert diefstal van die goederen en zorgt bovendien voor een illegaal handelscircuit van goedkope goederen, waardoor de reguliere, eerlijke handel wordt verstoord en maatschappelijk schade wordt toegebracht.
Gelet hierop acht het hof toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet passend. Hetgeen door de verdediging ter terechtzitting naar voren is gebracht omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders.

BESLISSING

Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden en J.C. Verhoeven, griffiers,
en op 3 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.