Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:967

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
20-002707-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 359 SvArt. 6:106 BWArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor twee mishandelingen met leerstraf en voorwaardelijke werkstraf

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in Roermond, waarin de verdachte, een minderjarige, werd veroordeeld voor twee mishandelingen. De verdachte had primair een beroep op noodweer gedaan, subsidiair op noodweerexces, en verzocht om toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht.

Het hof oordeelde dat het vastpakken van de verdachte door de aangever als een wederrechtelijke aanranding kwalificeert, maar dat de reactie van de verdachte met twee krachtige slagen tegen het hoofd buitenproportioneel was. Hierdoor faalde het beroep op noodweer en noodweerexces. De verklaringen van getuigen over het tweede feit werden als betrouwbaar beoordeeld, ondanks het karakter van de verklaringen als van horen zeggen.

De strafoplegging bestond uit een leerstraf van 30 uur en een voorwaardelijke werkstraf van 40 uur met bijzondere voorwaarden, passend geacht gezien de persoonlijke omstandigheden en rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming. De vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en moet bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: De verdachte wordt veroordeeld tot een leerstraf en een voorwaardelijke werkstraf, het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002707-25
Uitspraak : 3 april 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 oktober 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-221843-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
ingeschreven op het adres van zorggroep [zorginstelling] : [adres 1] en blijkens opgave ter zitting tijdelijk verblijvend: [adres 2] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep, heeft de kinderrechter het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat telkens gekwalificeerd als ‘mishandeling’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot
  • een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject
  • een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met naast de van rechtswege van toepassing zijnde algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
  • zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode en te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang dat gedurende de proeftijd noodzakelijk wordt geacht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
  • meewerkt aan het vinden en het behouden van een zinvolle dag-/vrijetijdsbesteding in de vorm van school/werk/dagbesteding/sport;
  • meewerkt aan hulpverlening/behandeling als dit door jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht.
Tevens heeft de kinderrechter beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] . De kinderrechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij is veroordeeld in de door de verdachte gemaakte kosten, die begroot zijn op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Namens de verdachte is
  • primair vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 1 en 2;
  • subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit ten aanzien van feit 1;
  • meer subsidiair verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en
  • meest subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, onder aanvulling van gronden en de strafmotivering waarop het berust, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
Aanvulling bewijsmiddelen
Het hof zal, indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de inhoud van de door de kinderrechter opgesomde bewijsmiddelen uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. De kinderrechter heeft in het vonnis waarvan beroep immers volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven, terwijl het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Aanvulling bewijsoverweging
Ten aanzien van feit 1
In hoger beroep is zijdens de verdachte primair een beroep gedaan op noodweer, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte door een hem onbekende en boze man, de aangever, onverhoeds bij de pols is vastgepakt en dat de aangever de verdachte ook niet wilde loslaten, ondanks de vraag van de verdachte om hem los te laten. De aangever wilde de verdachte richting [restaurant] trekken. Hierop is een worsteling ontstaan omdat de verdachte wilde loskomen. Daarbij heeft hij achterlangs om zich heengeslagen en de aangever (
mogelijk) geraakt. Er was voor de aangever geen reden om de verdachte op deze wijze vast te pakken. Voor de verdachte was sprake van een wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich heeft mogen verdedigen. De wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd was ook proportioneel omdat de aangever de verdachte vasthield bij de pols en niet losliet, hetgeen de aangever zelf ook heeft verklaard. De getuigen hebben niets verklaard over het handelen van de aangever maar hebben mogelijk het begin van de situatie niet gezien. De verdachte heeft zijn vrienden om hulp gevraagd en koos aldus tot twee keer toe voor een lichter middel, maar omdat de aangever hem niet losliet, ook niet nadat hij door de verdachte was geraakt, is het handelen van de verdachte niet disproportioneel geweest.
Subsidiair is door de verdediging een beroep gedaan op noodweerexces, hetgeen dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. De raadsman stelt dat, indien en voor zover de verdachte de grenzen van de verdedigingshandelingen zou hebben overschreden, de verdachte heeft gehandeld vanwege een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de houding van de aangever, waarbij rekening moet worden gehouden met het verleden van de verdachte.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in artikel 300 Sr Pro ligt de wederrechtelijkheid van die gedraging besloten. In het geval een beroep op noodweer, zijnde een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan de gedragingen van de verdachte en moet hij bijgevolg van het subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en overweegt dienaangaande het volgende.
Voor het slagen van een beroep op noodweer vereist de wet dat de verdedigingshandeling wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van het eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daartoe. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.
Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. Op 2 mei 2025 bevindt de verdachte zich met een paar vrienden op een bankje aan de overkant van de horecagelegenheid [restaurant] te Horn. De aangever, uitbater van [restaurant] , heeft verklaard dat hij deze jongeren wilde aanspreken omdat hij hen verdacht van het bevuilen van het toiletgedeelte in [restaurant] ..
De aangever heeft een van deze jongeren, de verdachte, bij de pols vastgepakt met de bedoeling hem te bewegen in de richting van [restaurant] om de rommel op te ruimen. De verdachte wilde dat de aangever hem losliet maar de aangever gaf daar geen gehoor aan. Hierop is een worsteling tussen de aangever en de verdachte ontstaan. Uit de verklaring van de aangever, die op dat punt steun vindt in de verklaringen van de getuigen, blijkt dat de verdachte de aangever vervolgens twee keer tegen het hoofd heeft geslagen met gebalde vuist.
Het hof is van oordeel dat het bij de pols pakken van de verdachte door de aangever weliswaar gezien kan worden was als corrigerend optreden met het doel de verdachte mee te nemen naar de mogelijk door de verdachte vervuilde toiletten, maar desalniettemin dient te worden beschouwd als het beperken van een ander in de bewegingsvrijheid waardoor het zich kwalificeert als een wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich zou mogen verdedigen. Echter, de wijze waarop de verdachte heeft gereageerd, te weten het tot twee keer toe met gebalde vuist en met kracht slaan tegen het hoofd van de aangever, is naar het oordeel van het hof buitenproportioneel geweest en heeft de grenzen van subsidiariteit overschreden. Er is derhalve sprake geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, echter heeft de verdachte de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit overschreden waardoor een beroep op noodweer niet kan slagen.
Dat deze overschrijding zijn oorzaak zou vinden in de gemoedstoestand van de verdachte vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Uit de verklaring van de verdachte bij de politie, noch uit de verklaringen van de getuigen is aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld uit een hevige gemoedsbeweging. Het beroep op noodweerexces kan evenmin slagen.
Het verweer ten aanzien van feit 1 wordt in al zijn onderdelen verworpen.
Ten aanzien van feit 2
De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van dit feit. De verdachte heeft ontkend [aangever] te hebben geslagen en de getuigen zijn zogenaamde de-auditu getuigen. Zij hebben immers verklaard over hetgeen de verdachte tegen hen zou hebben verteld over de mishandeling. De verdachte ontkent echter dat hij tegen die getuigen daarover heeft verteld.
De getuigenverklaringen kunnen aldus niet tot het bewijs worden gebezigd, nu de bron van deze verklaringen, namelijk de verdachte, de feiten ontkent en de verklaringen van de getuigen tegenspreekt. Bovendien is hem door de getuigen niet de cautie gegeven.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Met de raadsman is het hof van oordeel dat zogenaamde “van horen zeggen” verklaringen met behoedzaamheid dienen te worden beoordeeld. In casu is sprake van een tweetal verklaringen over hetgeen de verdachte tegen die getuigen, beiden medewerkers van de woongroep, over het slaan van [aangever] heeft verteld. De getuigen hebben ieder onafhankelijk van elkaar verklaard wat de verdachte tegen hen persoonlijk – op verschillende momenten en bij verschillende gelegenheden – heeft gezegd, te weten dat hij [aangever] heeft geslagen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verklaringen betrouwbaar zijn en er niets aan in de weg staat om de verklaringen tot het bewijs te bezigen. Het hof ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuigen, de enkele ontkenning van de verdachte is daarvoor onvoldoende. De verklaringen zijn voldoende concreet en specifiek.
Het verweer wordt verworpen.
Aanvullende strafoverweging
De verdediging heeft verzocht, bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, met toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht, aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Daartoe heeft de raadsman ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden aangevoerd, kort gezegd, dat de verdachte momenteel goed bezig is en graag op deze nieuw ingeslagen weg wil doorgaan. Er ligt een positief rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en de verdachte heeft laten zien dat hij niet meer in de problemen komt. Hij verblijft bij de vader van zijn vriendin en van hem ontvangt de verdachte de benodigde steun om aan de slag te gaan met zijn toekomst.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht om alleen de leerstraf Tools4U Verlengd voor de duur van 30 uur, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, op te leggen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de kinderrechter heeft overwogen onder het kopje ‘De strafoplegging’. De door de kinderrechter opgelegde leerstraf in combinatie met de voorwaardelijke werkstraf met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als opgenomen in het vonnis, acht het hof, mede gezien de recente rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 13 maart 2026, passend en geboden.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. Hetgeen door de verdediging ter terechtzitting naar voren is gebracht omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders.
Vordering benadeelde partij [aangever]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00 ter zake van immateriële schade (gevoelens van angst en onveiligheid), te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is door de kinderrechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.
De vraag die zich hier voordoet is of sprake is van een aantasting in de persoon “op andere wijze”. Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon “op andere wijze” sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van deze laatste situatie is naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake.
Het hof is van oordeel dat de vordering tot immateriële schadevergoeding door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Het hof acht het aannemelijk dat de benadeelde door het handelen van de verdachte te kampen heeft gehad met gevoelens van angst en onveiligheid en dat het een zekere impact op hem heeft gehad, maar naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat de benadeelde hierdoor in zijn persoon is aangetast. Daarvoor is immers nodig dat er sprake is van geestelijk letsel dan wel een zeer ernstige inbreuk op de integriteit van de persoon. Naar het oordeel van het hof is het ontstaan van een dergelijke schade door de benadeelde partij echter onvoldoende onderbouwd.
Het hof is van oordeel dat om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen de immateriële schade post nader toe te lichten of te onderbouwen, de behandeling van de zaak zou moeten worden aangehouden, hetgeen het hof een onevenredige belasting van het strafgeding oordeelt.
Het hof zal de vordering van de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De benadeelde partij zal daarbij als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis, waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Bevestigt het vonnis voor al het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. M. Van der Horst, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden en J.C. Verhoeven, griffiers,
en op 3 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.