Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:963

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
20-000263-22
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 11a OpiumwetArt. 6:6:25 Wetboek van StrafvorderingArt. 36e Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering en strafoplegging wegens hennepstekkenhandel en deelname criminele organisatie

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg inzake een ontnemingsvordering en strafoplegging aan verdachte wegens hennepstekkenhandel en deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €81.375 en een betalingsverplichting opgelegd voor hetzelfde bedrag, met een gijzelingsduur van 1.080 dagen. De verdediging voerde verweren aan tegen de omvang van het voordeel en de betalingsverplichting, stellende dat de schatting van 1.500 hennepstekken per week niet bewezen was en pleitte voor een lagere marge per stek.

Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat de rechtbank terecht uitging van 1.500 hennepstekken per week en een marge van €1,55 per stek. De verklaringen van verdachte en medeverdachte werden als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van circa twee jaar, maar achtte dit niet zwaarwegend genoeg voor een volledige vermindering.

De duur van de gijzeling werd door het hof aangepast naar 813 dagen, conform de geldende richtlijnen. De strafrechtelijke veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur werd bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de ontnemingsvordering van €81.375 en veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 240 uur, met een aangepaste gijzelingsduur van 813 dagen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000263-22
Uitspraak : 2 april 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 januari 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-721421-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
wonende te [adres].
Hoger beroep
Bij uitspraak waarvan beroep heeft de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 81.375,00 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag.
Daarnaast heeft de rechtbank de duur van de gijzeling – die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd – vastgesteld op 1.080 dagen.
Namens de betrokkene is tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de uitspraak van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de omvang van de betalingsverplichting.
Uitspraak waarvan beroep
Het hof verenigt zich met de uitspraak en met de redengeving waarop dit berust, onder aanvulling van gronden en met uitzondering van het aantal dagen gijzeling dat met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek Pro van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd.
Aanvulling van gronden
De veroordeling
In de beroepen ontnemingsuitspraak is de strafrechtelijke veroordeling van de rechtbank van 27 januari 2022 (parketnummer 03-721421-18) tot uitgangspunt voor de ontneming genomen. Dit hof heeft bij arrest van heden in de hoofdzaak (parketnummer 20-000262-22) het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd en de betrokkene ter zake van het volgende feit, kort weergegeven:
1. medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd in de periode van 1 april 2018 tot en met 20 november 2018,
3. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid en vijfde lid, en artikel 11a van de Opiumwet gedurende de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018,
veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
De grondslag voor de ontneming in het hoger beroep wordt daarom thans op deze veroordeling door het hof gebaseerd.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft op de gronden als verwoord in de pleitnota verweren gevoerd met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze gronden komen – samengevat – op het volgende neer.
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat een deugdelijke grondslag ontbreekt. Het Openbaar Ministerie en de rechtbank zijn ervan uitgegaan dat de betrokkene wekelijks 1.500 hennepstekken leverde aan [medeverdachte 1] en hebben dit aantal geëxtrapoleerd over de gehele bewezenverklaarde periode. Er is echter geen enkel bewijs dat de betrokkene daadwerkelijk 1.500 hennepstekken per week leverde aan [medeverdachte 1] .
Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden beperkt tot drie leveringen van hennepstekken in september 2018, bestaande uit twee leveringen van 1.770 hennepstekken en één levering van 1.650 hennepstekken, in totaal 5.190 hennepstekken, maal een marge van € 0,50 per stek levert op een bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 2.595.00.
Meer subsidiair dient volgens de verdediging te worden uitgegaan van de genoemde drie leveringen maal een marge van € 1,55 per stek, hetgeen neerkomt op een bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van (5.190 x € 1,55 =) € 8.044,50.
Meest subsidiair, indien het hof toch zou uitgaan van de levering van 1.500 hennepstekken per week en de geëxtrapoleerde hoeveelheid van in totaal 52.000 hennepstekken, heeft de verdediging aangevoerd dat een marge van € 0,50 per stek dient te worden gehanteerd, hetgeen leidt tot een bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van
€ (52.000 x € 0,50 =) € 26.250,00.
Met betrekking tot de omvang van de betalingsverplichting heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze moet worden verminderd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank bij de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van de gebruikte bewijsmiddelen terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat sprake is geweest van de levering van 1.500 hennepstekken per week aan [medeverdachte 1] , hetgeen over de totale bewezenverklaarde periode neerkomt op 52.000 hennepstekken, en dat – in het voordeel van [verdachte] – dient te worden uitgegaan van een winst voor [verdachte] van € 1,55 per stek. Het hof heeft het alternatieve scenario dat [verdachte] zich als verdachte louter gedurende een korte tijd bij wijze van (zaak)waarnemer van [medeverdachte 2] zou hebben schuldig gemaakt aan
– kort gezegd – de hennepstekkenhandel niet aannemelijk geacht. Zowel de verklaringen die [verdachte] heeft afgelegd als die [medeverdachte 2] in dat verband als getuige heeft afgelegd, heeft het hof in de strafzaak gemotiveerd als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Het hof stelt vast dat [verdachte] allesbehalve het achterste van zijn tong heeft laten zien omtrent zijn betrokkenheid en de daarbij door hem genoten verdiensten, maar zich schaart achter hetgeen [medeverdachte 2] heeft verklaard. Zo hebben beiden in hoger beroep verklaard – [medeverdachte 2] als getuige – dat de verdiensten van [verdachte] € 0,50 per hennepstek bedroegen; dit zou het bedrag zijn geweest dat [verdachte] per stek heeft verdiend gedurende de periode dat hij hennepstekkenhandel waarnam voor [medeverdachte 2] . Net als de verklaringen omtrent – kort gezegd – het zaakwaarnemerschap van de hennephandel, acht het hof ook hetgeen beiden hebben verklaard omtrent de door de verdediging bepleite marge van € 0,50 per hennepstek die [verdachte] zou hebben genoten, niet geloofwaardig en niet aannemelijk geworden. Overtuigende concrete en verifieerbare aanknopingspunten die het standpunt van [verdachte] omtrent zijn verdiensten onderbouwen, zijn niet gegeven, anders dan dat [verdachte] zijn standpunt onderbouwt door het hof te wijzen op de verklaring van [medeverdachte 2] . Echter, die acht het hof onbetrouwbaar, mede gelet op het stadium van het afleggen van deze verklaring waarover het hof reeds een en ander in de strafzaak heeft overwogen. Het hof volstaat met een verwijzing naar al die overwegingen ter zake van beider verklaringen, die ook hier opgeld doen, waardoor de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] ook bij de beoordeling van de ontnemingsvordering het hof allerminst overtuigen. Het hof gaat daar dan ook aan voorbij.
Het hof sluit zich derhalve aan bij hetgeen de rechtbank in het verlengde van de politie hieromtrent heeft overwogen. De verweren met betrekking tot de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden derhalve volledig verworpen.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere betrokkene is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de jegens hem of haar aanhangig gemaakte ontnemingsvordering wordt beslist. Deze redelijke termijn bedraagt in beginsel 24 maanden. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.
De betrokkene is bij betekening van 19 oktober 2021 van de ontnemingsvordering op de hoogte gebracht dat jegens hem een ontnemingsvordering aanhangig was. De rechtbank heeft de uitspraak gedaan op 27 januari 2022. Het hof is van oordeel dat in eerste aanleg derhalve geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
In beginsel geldt voor de procedure in hoger beroep eenzelfde termijn van twee jaren.
De betrokkene heeft op 3 februari 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op
2 april 2026. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaren na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wel met een periode van ongeveer twee jaren en twee maanden.
Hoewel sprake is van een groot strafrechtelijk onderzoek, met meerdere verdachten / betrokkenen, waarin bovendien zowel in eerste aanleg als in hoger beroep door een aantal verdachten / betrokkenen onderzoekswensen zijn gedaan, zijn er naar het oordeel van het hof onvoldoende bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding van de redelijke termijn volledig rechtvaardigen.
Echter, nu het hof de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep al heeft verdisconteerd in de samenhangende en gelijktijdig uitgesproken hoofdzaak, zal het hof in de onderhavige zaak volstaan met de enkele constatering van deze overschrijding.
Duur gijzeling
Anders dan de rechtbank, zal het hof de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv Pro ten hoogste kan worden gevorderd, overeenkomstig de door de rechtspraak gehanteerde Oriëntatiepunten voor straftoemeting van LOVS-afspraken versie januari 2026 bepalen op één dag voor elke volle € 100,00 van het opgelegde bedrag, zijnde – in het voordeel van de betrokkene afgerond – 813 dagen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt de uitspraak waarvan beroep, met uitzondering van het aantal dagen gijzeling dat met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek Pro van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 813 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes, griffier,
en op 2 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.