Belanghebbende, enig aandeelhouder en bestuurder van een B.V., heeft geen aangifte inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting over 2019 ingediend. De inspecteur stelde de aanslag vast op een belastbaar inkomen van €45.000, gebaseerd op de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet LB. Belanghebbende voerde aan dat het gebruikelijk loon lager moest zijn vanwege detentie van enkele maanden in 2019 en het ontbreken van werkzaamheden.
Het hof oordeelt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan zijn bewijslast om aan te tonen dat het gebruikelijk loon lager is dan €45.000. Het ontbreken van aangifte en het niet verstrekken van gevraagde informatie over de financiële situatie van de B.V. maken het onmogelijk om het loon op een lager bedrag vast te stellen. De detentieperiode en de stelling dat er geen activiteiten waren, zijn onvoldoende onderbouwd.
De verzuimboete wegens het niet tijdig indienen van de aangifte is terecht opgelegd, aangezien geen sprake is van afwezigheid van alle schuld. De belastingrente blijft eveneens in stand. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.