Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:889

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
20-000048-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ontnemingsvordering wegens medeplegen handel in cocaïne en hennep

In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin betrokkene werd veroordeeld voor medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en hennep in de periode van 15 februari 2021 tot en met 29 maart 2021.

De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €683.463,75 en een betalingsverplichting opgelegd, met een gijzelingstermijn van 1080 dagen bij niet-betaling. Betrokkene stelde primair dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen en subsidiair dat het vastgestelde voordeel te hoog was.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht. Het bevestigde de veroordeling voor medeplegen en verwierp het primaire verweer van betrokkene. Het hof stelde het voordeel vast op €170.865, gebaseerd op een schatting van het totale voordeel uit de handel in verdovende middelen van €1.366.927,50 in de periode van 1 juli 2017 tot en met 29 maart 2021, waarvan 25% aan betrokkene en medebetrokkene toerekenbaar werd geacht.

De betalingsverplichting aan de Staat werd opgelegd voor dit bedrag, met een gijzelingstermijn van 1080 dagen bij niet-betaling. Het arrest werd gewezen door mr. S.C. van Duijn, mr. C.P.J. Scheele en mr. G.M. Goes op 26 maart 2026.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €170.865 en legt een betalingsverplichting met gijzeling van 1080 dagen op.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000048-24 OWV
Uitspraak : 26 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 december 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-088655-21 tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 683.463,75 en heeft aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag. Tevens heeft de rechtbank het aantal dagen gijzeling dat bij niet betaling kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft primair bepleit dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen en heeft subsidiair verweer gevoerd tegen de hoogte van het vastgestelde voordeel.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 22 december 2023 onder parketnummer 02/088655-21 onder meer veroordeeld ter zake van het in de periode van 15 februari 2021 tot en met 29 maart 2021 medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne (feit 1) en van hennep/hasjies (feit 2).
Dit hof heeft bij arrest van heden (parketnummer 20-000047-24) voormelde veroordeling in stand gelaten.
Gelet hierop verwerpt het hof het primaire tot afwijzing van de ontnemingsvordering strekkende verweer van de verdediging nu dit is gebaseerd op een in de strafzaak bepleite vrijspraak.
Wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van voormelde feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, te weten de handel in verdovende middelen in de periode voorafgaande aan 15 februari 2021, zijnde vanaf 1 juli 2017, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
Het hof sluit hiermee aan bij de onderzoeksperiode die door de rechtbank is gehanteerd en verwijst voor het bestaan van die aanwijzingen naar hetgeen door de rechtbank daaromtrent is overwogen op pagina 2 onderaan en pagina 3 bovenaan van het vonnis van de rechtbank.
Het hof verwerpt daarmee met de rechtbank het verweer van de verdediging dat voldoende aanwijzingen ontbreken en dat van een kortere ontnemingsperiode dient te worden uitgegaan.
Schatting van het voordeel
Ook neemt het hof over hetgeen door de rechtbank omtrent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is overwogen op de pagina’s 2 tot en met 5 van het vonnis.
Het hof verwerpt daarmee met de rechtbank de in hoger beroep herhaalde standpunten van de verdediging omtrent het aantal transacties en de in aanmerking te nemen kosten
Met de rechtbank neemt het hof als uitgangspunt dat met de handel in verdovende middelen in de periode van 1 juli 2017 tot en met 29 maart 2021 in totaal een voordeel is gegenereerd van € 1.366.927,50.
Toerekening
Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal oordeelt het hof het onaannemelijk dat voormeld voordeel enkel aan de betrokkene en de medebetrokkene [medebetrokkene] is toegekomen. Hoewel de betrokkene en zijn medebetrokkene op grote schaal in verdovende middelen hebben gehandeld, is onvoldoende aannemelijk geworden dat hun rol dat van het dealen aan gebruikers heeft overstegen. Gelet daarop is het ook niet onaannemelijk dat de betrokkene en zijn medebetrokkene onderdeel hebben uitgemaakt van een groter geheel en dat zij daarin niet de leidinggevende personen waren. Gelet hierop schat het hof dat van voormeld voordeel een kwart (25% ) aan de betrokkene en de medebetrokkene is toegekomen. En dat dit voordeel – bij ontbreken van aanwijzingen voor het tegendeel – ponds-pondsgewijs aan hen is toegekomen.
Dit betekent dat het hof aan de betrokkene van voormeld voordeel een bedrag van
(€ 1.366.927,50 x 25% /2=) € 170.865,- zal toerekenen en het voordeel op dat bedrag zal vaststellen.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gijzeling
Het hof bepaalt het aantal dagen gijzeling dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:6:25 Wetboek Pro van Strafvordering bij niet betaling kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 170.865,00 (honderdzeventigduizend achthonderdvijfenzestig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 170.865,00 (honderdzeventigduizend achthonderdvijfenzestig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op
1080 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 26 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest te ondertekenen.