Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:886

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
20-000458-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 242 SrArt. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf voor verkrachting logee in woning verdachte

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 31 maart 2026 het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd waarin verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden wegens verkrachting van een logee, een collega van zijn vrouw, in zijn woning. Het hof achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en vond voldoende steunbewijs in de verklaringen van het slachtoffer en verdachte.

De verdachte ontkende de verkrachting en voerde onder meer een slaapstoornis aan, maar het hof verwierp dit verweer als ongeloofwaardig. De verkrachting vond plaats in de nacht van 4 op 5 maart 2023, waarbij het slachtoffer herhaaldelijk 'nee' zei en zich verzette, maar de verdachte toch seksuele handelingen verrichtte.

Het hof wees de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe: €112,50 aan materiële schade en €3.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de pleegdatum. De verdachte werd tevens veroordeeld in de proceskosten en tot een schadevergoedingsmaatregel met gijzeling als dwangmiddel.

De strafoplegging werd niet gewijzigd, mede gelet op de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof benadrukte de ernstige schending van vertrouwen en de impact op de relatie tussen slachtoffer en verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens verkrachting en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000458-25
Uitspraak : 31 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 7 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-068306-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘verkrachting’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.112,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel van de vordering heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met dien verstande dat de door de rechtbank gebezigde bewijsoverwegingen zullen worden aangevuld, en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 3.612,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Door de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ten slotte zijn opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de ten behoeve van de benadeelde partij opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De toepasselijke wettelijke voorschriften worden dientengevolge opnieuw opgenomen.
De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering en aanvulling. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de in het vonnis van de meervoudige kamer van 7 februari 2025 gebezigde bewijsmiddelen, zoals weergegeven onder bijlage II van het vonnis op pagina 11, alsmede de bewijsoverwegingen, zoals weergegeven op pagina’s 2 tot en met 4 (onder het kopje ‘4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs’), geheel vervangen. Derhalve komt de bewezenverklaring uitsluitend te berusten op de navolgende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen.
Het hof acht het voorts aangewezen om de strafoverweging van de rechtbank te vervangen op de wijze als hierna vermeld.
Bewijsmiddelen
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, Unit Zeden, proces-verbaalnummer PL2000-2023059546, ingekomen ten parkette d.d. 7 maart 2024 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 43). Alle processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 22 september 2023 (pg. 10 t/m 15), voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] :
Ik wil aangifte doen tegen [verdachte] . Er zat iemand aan me, daarom werd ik wakker. Ik lag op mijn buik en ik voelde op mijn rug handen. Die handen streelden over mijn rug en ik voelde dat de deken weggetrokken was. Toen ik echt goed wakker was geworden voelde ik dat die handen omhoog gingen over mijn rug en dat ik in mijn nek gezoend werd. Toen hoorde ik dat het [verdachte] was die mij streelde. Ik voelde dat [verdachte] mij toen probeerde om te draaien, maar dat hield ik tegen. Vanaf dat moment heb ik wel gemompeld: "Nee, nee" en ik heb geprobeerd om [verdachte] tegen te houden door zachtjes tegen te stribbelen. Toen voelde ik dat [verdachte] aan mijn benen en billen zat. Hij zat met zijn hand aan mijn billen te strelen, over mijn onderbroek heen. Op den duur kuste hij mij op mijn billen, over mijn onderbroek heen. Ik bleef zijn handen wegduwen en bleef : "Nee, nee" zeggen. [verdachte] reageerde daar woordelijk niet op, maar hij bleef wel aan mijn billen zitten en die kussen. Toen ik hem nog een keer wegduwde hoorde ik hem weggaan, naar de badkamer daarnaast.
Toen hoorde ik de douche en ging hij douchen. Een tijdje later kwam [verdachte] terug naar de slaapkamer waar ik lag. Ik voelde dat [verdachte] de deken van mij aftrok. Dit deed hij met kracht en ik kon hem niet tegen houden. Ik reageerde alleen maar daar te zeggen: "Nee, nee". Toen begon [verdachte] weer aan me te zitten. Ik lag op mijn buik ik voelde op een gegeven moment dat hij half op mij kwam liggen met zijn naakte lichaam op mijn rug. Toen ging hij mij weer zoenen in mijn nek en ik voelde dat hij met zijn handen mijn onderbroek naar beneden trok. Ik wilde hem tegenhouden, maar dat lukte niet. Ik bleef: "Nee, nee" zeggen, maar daar reageerde [verdachte] niet op.
Op een gegeven moment pakte [verdachte] mijn hand vast waarmee ik hem probeerde weg te duwen en die legde hij naast mij op het matras. Toen ging hij met zijn hand tussen mijn benen en ik voelde ook dat hij mijn benen uit elkaar wilde duwen toen ik op mijn buik lag. [verdachte] kon wel met een hand tussen mijn benen komen. Eerst was hij mij aan het strelen en daarna voelde ik dat hij met 1 vinger in mijn vagina ging en later met meer vingers. Ik bleef: "Nee, nee" zeggen, maar [verdachte] bleef met zijn vingers in mijn vagina heen en weer bewegen. Dat deed op den duur zo'n pijn dat ik mijn benen toen zelf maar uit elkaar gedaan heb. Toen bleef hij doorgaan met zijn vingers in mijn vagina.
Ik was om circa 09.00 uur weer wakker. [getuige] (
het hof begrijpt: [getuige] , echtgenote van de verdachte) zat al beneden en toen heb ik het tegen [getuige] verteld. Toen moest ik gaan huilen. Ik heb toen aan [getuige] verteld wat er was gebeurd. Toen kwam [verdachte] en die was ook echt wel geschrokken. Hierna zijn we gaan roken en toen zaten we alle drie in tranen.
V: Wanneer is dit gebeurd?
A: In de nacht van zaterdag op zondag, 4 en 5 maart 2023.
V: Waar is dit gebeurd?
A: In de woning van [verdachte] en [getuige] . Deze is in [adres 2] .
2.
Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de meervoudige kamer op 24 januari 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:
We zijn naar de woonkamer gegaan en hebben met z’n drieën gesproken en gehuild. Ik zag aan [slachtoffer] dat ze het meende, je gaat niet zomaar zitten huilen. Er zit dan een jongedame in tranen voor je en zij zegt dit is gebeurd, dan zal er iets gebeurd zijn. Ik geloof wel dat er iets gebeurd is. Ik ontken ook niet dat er iets gebeurd kan zijn. Ze was aan het trillen die ochtend en in tranen, ik was ook in tranen.
Bewijsoverwegingen
Verweer verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op grond zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd. De raadsman heeft allereerst bepleit dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd, nu die op relevante details aanzienlijk tegenstrijdig zijn. In dat verband heeft de raadsman ook gewezen op het tijdsverloop tussen de gebeurtenis en de door aangeefster afgelegde verklaringen. Daar komt bij dat het dossier concrete aanwijzingen bevat dat aangeefster die nacht behoorlijk onder invloed was van alcohol. Voorts heeft de rechtbank onterecht overwogen in het beroepen vonnis dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over het voorval, nu niet vastgesteld kan worden wat zij exact ’s-ochtends na het incident heeft verklaard tegenover de verdachte en zijn vrouw.
Voor zover het hof de verklaringen van aangeefster betrouwbaar acht, heeft de raadsman aangevoerd dat die verklaringen geen steun vinden in ander bewijsmateriaal. De verklaring van de verdachte in het mededelingsgesprek d.d. 9 maart 2023 kan niet tot het bewijs worden gebezigd, nu de politie toen heeft verzuimd om de cautie aan de verdachte te verlenen. De overige verklaringen van de verdachte, inhoudende dat hij niet meer weet wat er is gebeurd die nacht, kunnen niet worden weersproken met de inhoud van het dossier.
Ten slotte heeft de raadsman bepleit dat niet buiten gerede twijfel vastgesteld kan worden dat de verdachte aangeefster zou hebben verkracht, nu het dossier een concrete aanwijzing bevat dat de verdachte zijn slaapapneu-masker niet heeft afgezet in die nacht.
Juridisch kader
In een zedenzaak doet zich vaak de situatie voor dat alleen de aangeefster en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de tenlastegelegde handelingen. Indien steunbewijs ontbreekt, blijven de beschuldigende verklaring van de aangeefster en de ontkennende verklaring van de verdachte als onverenigbaar tegenover elkaar staan. In dat geval bestaat geen ruimte voor een bewezenverklaring, omdat op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de rechter het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag baseren op de verklaring van één getuige.
Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangeefster, als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (aangeefster).
Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster
Het hof is met de rechtbank en anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer] als betrouwbaar moet worden aangemerkt. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de verklaringen die door [slachtoffer] zijn afgelegd in het kader van het informatieve gesprek op 9 maart 2023, de aangifte op 22 september 2023 en bij de raadsheer-commissaris op 9 september 2025.
Naar het oordeel van het hof heeft [slachtoffer] in de kern steeds een gedetailleerde en consistente verklaring afgelegd. [slachtoffer] heeft helder verklaard over de volgorde van de gebeurtenissen en heeft gedetailleerd verklaard over zowel de omstandigheden rondom de seksuele handelingen als over die seksuele handelingen zelf. De verdediging heeft gewezen op verschillen tussen de door aangeefster afgelegde verklaringen. Naar het oordeel van het hof zijn dit evenwel verschillen op detailniveau en van zeer ondergeschikt belang en doen die geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Bovendien acht het hof voor de betrouwbaarheid van belang dat het door aangeefster beschreven verloop van de volgende ochtend grotendeels overeenkomt met de verklaringen van de verdachte. Zo heeft de verdachte in zijn politieverhoor d.d. 1 februari 2024 verklaard – in lijn met de verklaringen van [slachtoffer] – dat hij in de woonkamer geconfronteerd werd met het verhaal van aangeefster, dat zij toen samen hebben gehuild en dat zij het gesprek hebben beëindigd met een knuffel. Dat uit het dossier niet volgt over welke concrete seksuele handelingen aangeefster in dit gesprek heeft verteld, doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen niet af. In hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd ziet het hof evenmin reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] .
Het hof concludeert met de rechtbank dat de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Dit brengt het hof dan ook bij de vraag of er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van aangeefster.
Steunbewijs
Aangeefster [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van verkrachting door de verdachte die heeft plaatsgevonden op 5 maart 2023.
In grote lijnen heeft [slachtoffer] verklaard dat zij in de nacht van 4 op 5 maart 2023 verbleef in het huis van de verdachte en zijn vrouw [getuige] , nadat zij daar, na het uitgaan, met een groep vrienden een afterparty hadden. Rond 03:30 uur verlieten de laatste gasten het huis, waarna [slachtoffer] ging slapen in een aparte slaapkamer op de 1e verdieping. Nadat zij in slaap was gevallen, is de verdachte in haar kamer gekomen en begon hij [slachtoffer] over haar lichaam te strelen en te kussen, waarvan [slachtoffer] wakker is geworden. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij herhaaldelijk “nee” heeft gezegd en zachtjes tegenstribbelde, maar dat de verdachte door bleef gaan met haar te betasten en te kussen op haar lichaam. De verdachte is vervolgens uit de kamer vertrokken om te gaan douchen in de badkamer op dezelfde verdieping. Op een gegeven moment is de verdachte weer terug de kamer binnen gelopen, heeft hij de deken van [slachtoffer] met kracht van haar afgetrokken en is vervolgens met zijn naakte lichaam half op haar gaan liggen. De verdachte begon [slachtoffer] weer te zoenen en te strelen, waarna de verdachte [slachtoffer] ook heeft gevingerd. In de tussentijd had [slachtoffer] meerdere malen aangegeven dat zij dit niet wilde, maar de verdachte bleef continu doorgaan.
Volgens [slachtoffer] was het ongeveer 06:00 uur toen de verdachte na het tweede moment vertrok. [slachtoffer] is op een gegeven moment weer in slaap gevallen, waarna zij weer wakker werd rond 09:00 uur. Vervolgens is zij naar beneden gegaan en heeft zij direct huilend aan [getuige] verteld wat er was gebeurd. Hierna is de verdachte op enig moment ook de woonkamer ingelopen en heeft [slachtoffer] opnieuw haar verhaal gedeeld. Volgens [slachtoffer] waren zij alle drie in tranen en heeft zij aan het einde van het gesprek een knuffel gegeven aan de verdachte.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er voor meerdere onderdelen van de verklaringen van aangeefster steunbewijs aanwezig is in het dossier.
De verklaring van [slachtoffer] wordt voor wat betreft de volgorde van de gebeurtenissen op 4 en 5 maart 2023 grotendeels ondersteund door de verklaring van de verdachte. Zo heeft de verdachte bevestigd dat hij met zijn vrouw en vrienden in de avond van 4 op 5 maart 2023 in de stad hadden gedronken, dat zij vervolgens met die vriendengroep naar hun huis zijn gegaan, de laatste vrienden – met uitzondering van aangeefster – rond 03:30 uur waren vertrokken en dat aangeefster die nacht verbleef in een aparte slaapkamer op de 1e verdieping. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij de ochtend daarna direct door aangeefster in de woonkamer werd geconfronteerd met wat er was gebeurd, dat zij toen samen hebben gehuild en dat zij het gesprek hebben beëindigd met een knuffel.
Het hof stelt uit de verklaring van aangeefster vast dat de verkrachting was afgelopen rond 06:00 uur, aangeefster hierna weer in slaap is gevallen en
directnadat zij wakker is geworden – hetgeen slechts een paar uur daarna was – huilend haar verhaal in de woonkamer heeft verteld aan [getuige] en daarna ook aan de verdachte.
Naar het oordeel van het hof wordt de verklaring van aangeefster voor wat betreft haar emotionele toestand, in voldoende mate ondersteund door de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg. Immers heeft de verdachte erkend dat hij die emotionele reactie van aangeefster direct in de ochtend – en dus kort na de gebeurtenis – had waargenomen. Meer specifiek wijst het hof op de volgende verklaring van de verdachte ten overstaan van de rechtbank:
“Er zit dan een jongedame in tranen voor je en zij zegt dit is gebeurd, dan zal er iets gebeurd zijn. Ik geloof wel dat er iets gebeurd is. Ik ontken ook niet dat er iets gebeurd kan zijn. Ik begrijp dat zij aangifte heeft gedaan, als het zo is dan is het zo. Ze was aan het trillen die ochtend en in tranen, ik was ook in tranen.”.
Het hof is van oordeel dat deze verklaring steun biedt aan de verklaring van aangeefster dat hij haar die nacht tegen haar zin seksuele handelingen heeft laten ondergaan. Uit die verklaring van de verdachte begrijpt het hof dat de verdachte niet alleen de gemoedstoestand van [slachtoffer] heeft waargenomen, maar ook dat die emotionele uitingen dermate oprecht en overtuigend op hem overkwamen, dat hij daardoor gelooft dat er ‘iets’ gebeurd is en dat ook niet ontkent. Daarmee heeft de verdachte, naar het oordeel van het hof, erkend dat er in ieder geval iets heeft plaatsgevonden tussen hem en [slachtoffer] . Anders dan de raadsman heeft het hof geen reden om eraan te twijfelen dat deze bij aangeefster waargenomen emoties door de tenlastegelegde verkrachting zijn veroorzaakt, mede in aanmerking genomen dat aangeefster de verdachte op dat moment net met diens seksuele handelingen had geconfronteerd.
Ongeloofwaardigheid verklaring van de verdachte voor het overige
Zoals reeds hierboven beschreven, heeft de verdachte op 1 februari 2024 bij de politie een verklaring afgelegd. Hierin heeft de verdachte in de kern verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren wat er in die nacht gebeurd is. De verdachte weet niet beter dan dat hij naar bed is gegaan en naast zijn vrouw heeft geslapen en daar ook wakker is geworden.
Ter terechtzitting in eerste aanleg op 24 januari 2025 heeft de verdachte herhaald dat hij geen herinneringen heeft aan die nacht. De verdachte heeft de rechtbank daarbij gewezen op het gegeven dat hij kampt met ernstige slaapapneu en geopperd dat dit, in combinatie met alcohol en stress, heeft geresulteerd in een slaapstoornis en hij daardoor mogelijk in zijn slaap seksuele handelingen heeft verricht. De rechtbank heeft geen geloof gehecht aan dit alternatieve scenario van de verdachte. Volgens de rechtbank bevat het dossier geen enkele aanwijzing dat de verdachte kampt met een dergelijke slaapstoornis, noch is aannemelijk geworden dat hij gedurende het tenlastegelegde in een slaaptoestand verkeerde. De rechtbank achtte het, naar het oordeel van het hof terecht, volstrekt ongeloofwaardig dat de verdachte in een slaaptoestand naar de kamer van aangeefster zou zijn gelopen, allerlei seksuele handelingen bij haar zou hebben verricht en tussendoor ook nog zou hebben gedoucht.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte opnieuw naar voren gebracht dat hij zich niks kan herinneren van die nacht, maar is hij teruggekomen op zijn verklaring omtrent de mogelijke oorzaak daarvan, zoals hij deze bij de rechtbank had afgelegd. Het hof constateert dat de verdachte op de zitting in hoger beroep vervolgens herhaaldelijk zijn verklaring heeft aangepast. Zo heeft de verdachte in eerste instantie ten overstaan van het hof het door aangeefster geschetste scenario niet expliciet betwist, maar daarbij naar voren gebracht dat hij die nacht veel had gedronken en dat hij zich daardoor mogelijk niets meer kon herinneren. Op de vraag van het hof of dit zo moet worden opgevat dat de verdachte de tenlastegelegde seksuele handelingen mogelijk onder invloed van alcohol heeft gepleegd, heeft de verdachte verklaard dat hij zeker weet dat er niets is gebeurd die nacht en dat aangeefster alles bij elkaar liegt.
Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat de verdachte continu wisselend en innerlijk tegenstrijdig heeft verklaard over hetgeen op 5 maart 2023 in de slaapkamer van aangeefster heeft plaatsgevonden en de mate waarin (en de reden waarom) hij zich dit (niet) kan herinneren. De verdachte lijkt daarbij voortdurend om zijn eigen betrokkenheid heen te draaien. Om die reden zal het hof de in hoger beroep voor het eerst gegeven verklaring van de verdachte dat hij zeker weet dat er niets is gebeurd als ongeloofwaardig terzijde schuiven.
Gelet op de verklaring van aangeefster, de door haar en verdachte beschreven emotionele toestand kort na het incident, alsmede het feit dat de verdachte heeft erkend dat er ‘iets’ gebeurd is, kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de tenlastegelegde handelingen heeft gepleegd.
Overigens overweegt het hof dat het verweer ten aanzien van de door de verdachte afgelegde verklaring tijdens het mededelingsgesprek op 9 maart 2023 geen nadere bespreking behoeft, nu die verklaring door het hof niet tot het bewijs wordt gebezigd.
Dwang
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de feitelijke handelingen, zoals opgenomen in de tenlastelegging, heeft gepleegd. Die handelingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, brengen met zich dat er sprake is geweest van dwang. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat de verdachte heeft geweten dat hij, door de tenlastegelegde beschreven gedragingen en handelingen, een situatie heeft gecreëerd waarin [slachtoffer] , die op bed lag te slapen en door de verdachte wakker werd gemaakt, zich niet aan de seksuele handelingen kon onttrekken en zich gedwongen heeft gevoeld om deze te ondergaan.
Conclusie
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging in al haar onderdelen.
Concluderend acht het hof het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Op te leggen sanctie
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof verzocht om bij bewezenverklaring te volstaan met het opleggen van een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op het taakstrafverbod, in combinatie met een voorwaardelijk deel en een taakstraf. Daartoe heeft de raadsman gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is niet alleen de kostwinner van het gezin, maar hij is, vanwege psychische klachten van zijn vrouw, ook de voornaamste verzorger van hun twee minderjarige kinderen. Volgens de raadsman heeft deze strafzaak een enorme negatieve impact gehad op het leven van de verdachte.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] terwijl zij als logee in zijn huis verbleef. Met zijn handelen heeft de verdachte op een ernstige wijze inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. [slachtoffer] was een collega van de vrouw van de verdachte. Uit het dossier is het hof gebleken dat het slachtoffer ook een vriendschappelijke band had met de verdachte, dat zij zich vertrouwd voelde bij hen en dat zij daarom af en toe bij de verdachte en zijn vrouw bleef overnachten. De verdachte heeft door het bewezenverklaarde de vriendschappelijke relatie met het slachtoffer en haar vertrouwen in de medemens op een ernstige wijze beschadigd. Dat de verkrachting heeft plaatsgevonden in de woning van de verdachte, waar het slachtoffer met enige regelmaat logeerde en dus bij uitstek een plek was waar zij zich veilig had moeten kunnen voelen, maakt de impact voor haar des te groter. Het hof neemt dat de verdachte zeer kwalijk.
Ook rekent het hof het de verdachte aan dat hij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte telkens ontkend het slachtoffer te hebben verkracht en daarbij vooral de nadruk gelegd op de gevolgen die het voorval voor hem en zijn gezin heeft gehad. Met zijn houding doet de verdachte onvoldoende recht aan het leed van het slachtoffer en heeft daarmee laten zien dat hij geen inzicht heeft in de verwerpelijkheid van zijn gedrag.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte nooit eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij zelf hulp heeft gezocht bij de huisarts en inmiddels is doorverwezen naar een forensisch psycholoog. Zijn vrouw is arbeidsongeschikt als gevolg van PTSS, waardoor de verdachte voornamelijk de zorg draagt van hun twee minderjarige kinderen.
In hetgeen de raadsman en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ter zake van de persoonlijke omstandigheden naar voren hebben gebracht, ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een andere strafafdoening dan de rechtbank. Bovendien is het hof van oordeel dat de door de verdediging verzochte strafafdoening onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Het hof heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf acht geslagen op de straffen die door dit hof in vergelijkbare zaken worden opgelegd en wijst in dat verband ook op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, die in geval van verkrachting met een beperkte mate van dwang al uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Om die reden is het hof van oordeel dat met de door de rechtbank opgelegde straf al voldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op het voorgaande, ontbreken in hoger beroep termen om te komen tot een andere afdoening dan de rechtbank en zal het hof de strafoplegging van de rechtbank, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, bevestigen. Overigens merkt het hof op dat de rechtbank in de strafoverweging heeft overwogen dat de verdachte mogelijk in aanmerking zou komen voor het project genaamd “Kleinschalige Voorziening Middelburg”. Nu het hof heeft geconstateerd dat dit project niet meer bestaat, heeft het hof deze mogelijkheid buiten beschouwing gelaten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.112,50, bestaande uit € 112,50 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.112,50, bestaande uit € 112,50 aan materiële en € 3,000.00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep gedeeltelijk gehandhaafd waarbij de gevorderde immateriële schade is verlaagd tot een bedrag van € 3.500,00.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair aangevoerd dat de gehele vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu door de verdediging vrijspraak is bepleit van het tenlastegelegde. Subsidiair is door de verdediging aan het hof verzocht om het gevorderde bedrag aan immateriële schade aanzienlijk te matigen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes primair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Ten aanzien van de gevorderde kostenposten overweegt het hof als volgt.
Materiële schade
De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten die de benadeelde heeft gemaakt voor behandelingen bij de fysiotherapeut. Naar het oordeel van het hof is deze kostenpost voldoende onderbouwd en staat deze ook in voldoende rechtstreeks verband tot het bewezenverklaarde. De verdediging heeft de gevorderde materiële schade verder niet inhoudelijk betwist en toewijzing daarvan komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof zal de vordering in zoverre geheel toewijzen.
Immateriële schade
Met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade ad
€ 3.500,00 overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij heeft in de vordering tot schadevergoeding onderbouwd dat de benadeelde als gevolg van de verkrachting psychische klachten heeft overgehouden. Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat de benadeelde kampt met slaapproblemen en dat zij veel moeite heeft met het vertrouwen van andere mensen. Daarnaast heeft het bewezenverklaarde ook een negatieve impact gehad op haar sociaal leven, nu zij het contact heeft moeten verbreken met de vriendengroep waar ook de verdachte deel van uitmaakte. Door de traumatische gebeurtenis heeft de benadeelde ook nekklachten opgelopen.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde. Daartoe overweegt het hof dat de verkrachting heeft plaatsgevonden in de woning van de verdachte, waar de benadeelde geregeld bleef overnachten en juist zijn woning als een veilige plek beschouwde. De benadeelde, die zich voorheen veilig voelde bij de verdachte en hem vertrouwde, is in dat vertrouwen geschaad en zal deze gebeurtenis naar verwachting de rest van haar leven met zich meedragen.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, acht het hof toewijzing van een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade billijk. Bij de begroting heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte gemaakte verwijt laten meewegen. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, welke op grond van de aanbevelingen door de Rechtspraak wordt gebruikt bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Hierbij heeft het hof in het bijzonder gelet op de bandbreedte van smartengeldbedragen in het geval dat de benadeelde partij is verkracht, meer specifiek categorie ‘tamelijk ernstig’ (C). Het hof zal de immateriële schade gelet op de in de Rotterdamse Schaal gegeven bandbreedte net als de rechtbank begroten op € 3.000,00 Het hof ziet geen aanleiding om dit bedrag conform de aanbevelingen te verhogen vanwege de ernstige verwijtbaarheid of opzettelijk handelen door de verdachte, nu deze verwijtbaarheid bij deze categorie (geestelijk letsel als gevolg van verkrachting) een gegeven is. Het hof zal het meer gevorderde afwijzen.
Wettelijke rente
Hoewel de materiële schade op verschillende tijdstippen is ingetreden, zal het hof bij de wijze van moderatie bepalen dat de wettelijke rente over zowel de materiële schade als de immateriële schade aanvangt op 5 maart 2023, zijnde de pleegdatum. De schade wordt geacht op die datum te zijn geleden.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Deze proceskosten zijn tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 3.112,50. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de ten behoeve van de benadeelde partij opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en doet in zoverre opnieuw recht:

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.112,50 (drieduizend honderdtwaalf euro en vijftig cent) bestaande uit € 112,50 (honderdtwaalf euro en vijftig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.112,50 (drieduizend honderdtwaalf euro en vijftig cent) bestaande uit € 112,50 (honderdtwaalf euro en vijftig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,
en op 31 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.