Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:885

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
20-002183-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling inbraak en diefstal in buurthuis met taakstraf en schadevergoeding

De verdachte werd beschuldigd van inbraak en diefstal van ongeveer 50 euro uit een buurthuis te Roosendaal in april 2024. Het hof baseerde zijn oordeel op bloedsporen van de verdachte op gebroken ruiten en de geldlade, die door DNA-onderzoek met een zeer hoge mate van zekerheid aan haar werden gekoppeld.

De verdediging voerde aan dat de bloedsporen niet bewijzen dat de verdachte het geld heeft weggenomen en stelde dat zij slechts vluchtte en toevallig in het pand was. Het hof verwierp dit verweer, omdat het sporenbeeld en de omstandigheden duidelijk maken dat de verdachte door de ingeslagen ruiten is geklommen en het geld uit de lade heeft weggenomen.

De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Daarnaast werd de in beslag genomen hamer verbeurd verklaard. De vordering van de benadeelde partij voor materiële schade werd gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van €379,50, vermeerderd met wettelijke rente, en de verdachte werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden. De opgelegde straf houdt rekening met eerdere veroordelingen en persoonlijke omstandigheden zoals verslavingsproblematiek.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en betaling van €379,50 schadevergoeding.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002183-25
Uitspraak : 31 maart 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-373098-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde, het onder feit 1 tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en haar veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 448,70 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de door haar verzochte vergoeding van de proceskosten.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Namens de verdachte is bij akte van 29 augustus 2025 onbeperkt hoger beroep ingesteld. Bij akte van 16 maart 2026 is namens de verdachte het hoger beroep partieel ingetrokken, namelijk voor zover het appel zich richt tegen het onder feit 2 tenlastegelegde. Daarmee is het namens de verdachte ingestelde hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot het onder feit 1 tenlastegelegde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen, met dien verstande dat het hof de inbeslaggenomen hamer verbeurd zal verklaren.
Door de verdediging is vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.zij in of omstreeks de periode 20 april 2024 tot en met 21 april 2024 te Roosendaal een geldbedrag ter hoogte van ongeveer 50 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.zij in de periode 20 april 2024 tot en met 21 april 2024 te Roosendaal een geldbedrag ter hoogte van ongeveer 50 euro, dat aan [benadeelde] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, zaak-registratienummer PL2000-2024099747, gesloten d.d. 14 januari 2025 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 78). Alle processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 21 april 2024 (pg. 50 t/m 52), voor zover inhoudende de verklaring van aangever [aangever] , die namens [benadeelde] aangifte deed:
Ik ben de beheerder van [benadeelde] in Roosendaal. Op 21 april 2024 rond 12:07 uur kwam ik bij [benadeelde] aan en ik zag toen dat er een ruit bij de voordeur was ingeslagen. Ook zag ik aan de buitenzijde bij deze ruit een hamer liggen. Toen ik de voordeur open deed zag ik veel glas in de hal liggen. Ik zag op de mat bij de voordeur en op de tegels in de hal bloed liggen. Ik zag dat ook in de gang glas lag. Ik zag dat ruit van de deur die vanaf de gang toegang biedt tot de grote zaal vernield was. Ik zag voor deze deur op de tegels bloedsporen liggen. Toen ik aan de deur voelde, voelde ik dat deze nog afgesloten was. Wel zag ik aan deze deur, ter hoogte van het slot, braaksporen. In de grote zaal, achter de bar, stond een la open. Hier ligt normaal gesproken kleingeld in, ik schat bij elkaar maximaal 50 euro. Ik zag dat dit er niet meer lag. Gisteren ben ik als laatste in het pand geweest. Ik ben toen rond 12:10 uur vertrokken. Er lag toen nog geen glas en bloed op de grond.
2.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf ( [adres 2] ) d.d. 15 mei 2024 (pg. 29 t/m 32), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 21 april 2024 kwam ik naar aanleiding van een melding van een gekwalificeerde diefstal in/uit bedrijf kantoor, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] . Ik zag dat de ruit in de rechtergevel van het voorportaal verbroken was. Ik zag dat er buiten op de tegels onder de verbroken ruit glasscherven lagen en dat er bij de glasscherven een hamer lag. Ik hoorde dat de aangever zei dat deze hamer niet van het buurthuis was.
Binnen, in het voorportaal, zag ik dat er op de muur onder de verbroken ruit op bloed lijkende sporen zichtbaar waren. Met behulp van de tetrabase-test werd de aanwezigheid van bloed in deze sporen indicatief aangetoond. Door mij werd één van de sporen bemonsterd en voorzien van SIN AARA8362NL.
Ik zag dat er op de droogloopmat en de vloer in het voorportaal op bloed lijkende sporen zichtbaar waren. Ik zag dat er op de vloer in de hal glasscherven lagen en dat er op bloed lijkende sporen zichtbaar waren. Ik zag dat er in de sluitnaad van de deuren tussen de hal en de zaal sporen van verbreking zichtbaar waren. Ik zag dat de ruit van de rechterdeur verbroken was. Ik zag dat er op de vloer bij deze deur, op de deurklink en op de ruit van deze deur op bloed lijkende sporen zichtbaar waren. Met behulp van de tetrabase-test werd de aanwezigheid van bloed in het spoor op de ruit indicatief aangetoond. Door mij werd dit spoor bemonsterd en voorzien van
SINAARA8364NL.
Ik zag dat er op de droogloopmat in de zaal glasscherven bij elkaar lagen. Ik zag dat er in de bar één lade in geopende stand stond en hoorde dat de aangever zei dat dit
de lade betrof waaruit kleingeld weggenomen was. Ik zag dat er op de lade een op bloed lijkend spoor zichtbaar was. Met behulp van de tetrabase-test werd de aanwezigheid van bloed in dit spoor indicatief aangetoond. Door mij werd dit spoor bemonsterd en voorzien van SIN AARA8365NL.
Op basis van het totale sporenbeeld en de verkregen informatie van de aangever, kon de vermoedelijke werkwijze van de dader worden vastgesteld. Door het verbreken van de ruit aan de rechterzijde van het voorportaal kon de dader zich de toegang tot het buurthuis verschaffen. Hierna werd gepoogd de deur tussen de hal en de zaal te forceren. Hierna werd de ruit in de rechterdeur verbroken, kon de dader
zich de toegang tot de zaal verschaffen en heeft zich hier vermoedelijk bij verwond. Uit een lade in de bar in de zaal werd kleingeld weggenomen.
3.
Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 21 mei 2024, zaaknummer 2024.05.08.102 (aanvraag 001), opgesteld door NFI-deskundige ing. S. Tuinman, rapporteur (pg. 35 t/m 37), voor zover inhoudende:
SIN en omschrijving
Beschrijving DNA-profiel
Celmateriaal kan afkomstig zijn van
Matchkans
AARA8362NL#01 Bloed
DNA-profiel van een vrouw
[verdachte]
kleiner dan één op één miljard
AARA8364NL#01 Bloed
DNA-profiel van een vrouw
[verdachte]
kleiner dan één op één miljard
AARA8365NL#01 Bloed
DNA-profiel van een vrouw
[verdachte]
kleiner dan één op één miljard
4.
Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter op 18 augustus 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:
Ik ben wel binnen [benadeelde] geweest. Ik ben door het gebroken raam naar binnen geklommen.
Bewijsoverwegingen
In hoger beroep is namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Door de raadsman is aangevoerd dat weliswaar bloedsporen van de verdachte in het gebouw zijn aangetroffen, maar dat daaruit niet geconcludeerd kan worden dat de verdachte ook het geld uit de lade heeft gestolen. De verdachte heeft daarover eerder verklaard dat zij aan het vluchten was voor haar vriend, dat zij vervolgens zag dat er al was ingebroken in het gebouw en daarom door het gebroken raam is geklommen en gevallen. Volgens de raadsman kan niet worden uitgesloten dat de bloedspoor toevallig op de lade terecht is gekomen, nadat de verdachte deze heeft aangeraakt tijdens haar zoektocht naar een verstopplek in de zaal. De hamer die onder de verbroken ruit lag is verder niet onderzocht, waardoor het alternatief scenario dat sprake was van een andere dader niet kan worden weerlegd.
Het hof overweegt als volgt.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Op basis van die bewijsmiddelen stelt het hof vast dat in de periode van 20 tot en met 21 april 2024 is ingebroken in een buurthuis te Roosendaal. Tijdens het forensisch onderzoek zijn er op diverse plaatsen in het buurthuis bloedsporen gevonden, te weten op de muur onder de verbroken ruit in het voorportaal, op de ruit van de tussendeur naar de zaal en op de lade waaruit het geld is weggenomen. Op basis van het totale sporenbeeld en de verkregen informatie van de aangever, heeft de politie vastgesteld dat de inbreker een ruit aan de rechterzijde van het voorportaal van het gebouw heeft vernield om zich toegang tot het buurthuis te verschaffen. Na het binnentreden van het voorportaal heeft de dader de ruit van de rechterdeur tussen de hal en de zaal verbroken en vervolgens kleingeld uit een lade in de zaal weggenomen.
De aangetroffen bloedsporen zijn veiliggesteld en aan een DNA-onderzoek onderworpen. Daaruit is naar voren gekomen dat in de bemonsteringen het DNA-profiel van een vrouw is aangetroffen dat deze overeenkomen met het DNA-profiel van de verdachte, met een matchkans van kleiner dan 1 op 1 miljard. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het om het DNA van de verdachte gaat.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat op basis van die bloedsporen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte degene is geweest die heeft ingebroken en uiteindelijk het geld uit de lade heeft weggenomen. In dat verband wijst het hof op het gegeven dat de dader van de inbraak twee ruiten heeft ingeslagen en daar doorheen moet zijn geklommen, om zich de toegang tot de zaal van het gebouw te verschaffen en bij het geld te kunnen komen. Uit de bloedsporen van de verdachte stelt het hof vast dat de verdachte niet alleen door die ingeslagen ruiten is geklommen en gewond is geraakt, maar bovendien dat zij daarna in aanraking is gekomen met de geldlade in de grote zaal. Er is daarmee een directe relatie tussen het weggenomen geld en de ter plaatse aangetroffen DNA-materiaal van de verdachte. Dat zij – naar eigen zeggen - vluchtte voor haar vriend en moest schuilen voor de regen, geeft geen plausibele verklaring waarom zij (ook) door het tweede ruitje moest klimmen en wat zij bij de kassalade deed. Op basis van het totale bloedsporenbeeld, kan het niet anders dan dat de verdachte diegene is geweest die heeft ingebroken en het geld heeft weggenomen. Naar het oordeel van het hof dienen die bloedsporen dan ook aangemerkt te worden als dadersporen.
Het alternatieve scenario van de verdachte, namelijk dat twee jongens de braakschade hadden veroorzaakt en het geld hadden weggenomen al voordat zij het gebouw betrad, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Er is geen enkele aanwijzing in het dossier te vinden die erop duidt dat – naast de verdachte – een ander persoon (of andere personen) in de tenlastegelegde periode aanwezig is/zijn geweest in het buurthuis. Zou deze gedachtegang gevolgd worden, dan zou dit betekenen dat de inbrekers exact dezelfde route als de verdachte zouden hebben afgelegd en daarbij – in tegenstelling tot de verdachte – geen enkel DNA-spoor hebben achtergelaten ten tijde van de inbraak. Het hof acht dit volstrekt onaannemelijk en schuift dit dan ook terzijde.
Het verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij heeft ingebroken in een buurthuis en daarbij geld uit de lade heeft weggenomen. Door te handelen zoals bewezen is verklaard heeft de verdachte blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander en heeft zij de benadeelde overlast en financiële schade berokkend. De verdachte heeft gehandeld uit louter eigenbelang, hetgeen het hof de verdachte kwalijk neemt.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in strafverzwarende zin acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 december 2025, waaruit volgt dat de verdachte eerder, zij het langer geleden, veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht meermaals van toepassing is.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De raadsman van de verdachte heeft daartoe naar voren gebracht dat de verdachte al jarenlang kampt met verslavingsproblematiek. Volgens de raadsman kwam de verdachte meerdere malen in aanmerking voor opnames bij verslavingsklinieken in Zuid-Afrika en Duitsland, maar deze zijn allemaal niet doorgezet wegens gebrek aan financiële middelen.
Alles afwegende, is het hof van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, passend en geboden is.
Beslag
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven hamer is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal deze hamer daarom verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 448,70 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering behelst de volgende posten:
Materieel
Reparatiekosten ruiten € 398,70
Gestolen geldbedrag € 50,00

Totaal € 448,70

Voorts heeft de benadeelde partij proceskosten ter hoogte van € 29,60 gevorderd in verband met het opvragen van een uittreksel van de Kamer van Koophandel.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de door haar verzochte vergoeding van de proceskosten, nu dit geen proceskosten zijn.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de materiële schade voldoende is onderbouwd en ook in voldoende rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde. De verdediging heeft de gevorderde kostenposten aan materiële schade bovendien niet betwist. Het hof is echter van oordeel dat kostenpost I slechts toewijsbaar is tot een bedrag van € 329,50, zijnde het gevorderde bedrag exclusief BTW, nu de benadeelde partij een rechtspersoon is en het gevorderde bedrag aan BTW kan verrekenen. Het hof zal derhalve kostenposten I en II toewijzen (kostenpost I tot een bedrag ad € 329,50) en het meer gevorderde van kostenpost I dan ook afwijzen.
Uit de bijgeleverde factuur ten aanzien van de gevorderde reparatiekosten, gedateerd 21 mei 2024, volgt dat de betaling hiervan binnen een week na de factuurdatum diende te geschieden. Het hof zal derhalve de wettelijke rente over het totaalbedrag toewijzen vanaf 28 mei 2024tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. In dat verband merkt het hof op dat de benadeelde partij een bedrag van € 29,60 heeft gevorderd voor wat betreft de proceskosten. Evenals de politierechter, acht het hof de kosten in verband met het opvragen van een uittreksel van de Kamer van Koophandel niet toewijsbaar als proceskosten. Om die reden zal het hof de verdachte veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, en zal vooralsnog deze tot aan de datum van deze uitspraak begroten op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 379,50. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis;
verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 stuk hamer (PL2000-2024099747-2717321; merk: Dekton; kleur: zwart);

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,
en op 31 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.