Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:883

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
20-002647-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep op veroordeling voor opzettelijk bezit van harddrugs

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs, in strijd met artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet. Tegen deze veroordeling werd hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd voor wat betreft de opgelegde straf en heeft een nieuwe straf opgelegd.

Het hof heeft de bewijsmiddelen aangevuld en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoonlijke situatie van de verdachte meegewogen. De verdachte had geen eerder justitieel verleden voor soortgelijke feiten en gaf aan bezig te zijn met het beëindigen van zijn betrokkenheid bij partijhandel en volgde therapieën vanwege de wijze van aanhouding en voorarrest.

Het hof oordeelde dat een geheel voorwaardelijke straf niet passend was gezien de ernst van het feit. Daarom werd een taakstraf van 150 uur opgelegd, waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, subsidiair 75 dagen hechtenis waarvan 50 dagen voorwaardelijk. Tevens werd de tijd in voorarrest in mindering gebracht conform artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht. De overige onderdelen van het vonnis werden bevestigd.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur, waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002647-24
Uitspraak : 31 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-045727-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 63 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen voor wat betreft de opgelegde straf en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Tevens heeft de verdediging bepleit dat de politierechter ten onrechte artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht heeft toegepast.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en zal in zoverre opnieuw rechtdoen. Bovendien zullen de gronden worden aangevuld, in die zin dat de opsomming van de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen wordt aangevuld op de wijze als hierna is vermeld.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat de opsomming van de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen aanvulling behoeft. Het hof vult deze opsomming aan met de navolgende bewijsmiddelen:
  • een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 8 februari 2024, p. 173-174;
  • een geschrift, te weten een aanvraag onderzoek NFI, d.d. 13 februari 2024, p. 182-184;
  • het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2024, p. 179-180.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs. Het gebruik van harddrugs, zoals MDMA, kan schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Bovendien gaat de handel in hard- en softdrugs veelal gepaard met andere vormen van criminaliteit en wordt door het aanwezig hebben van drugs de handel in verdovende middelen en alle daarbij behorende nadelige effecten in stand gehouden. De verdachte heeft met zijn handelen daaraan een bijdrage geleverd.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft in dat kader naar voren gebracht dat hij niet langer samen met zijn broer actief is in de partijhandel en bezig is die bedrijfsactiviteiten te beëindigen, hij een cursus tatoeëren volgt en geen schulden heeft. Tevens heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij EMDR-therapie heeft gehad, evenals exposure-therapie, als gevolg van de naar zijn zeggen agressieve wijze waarop hij in deze zaak is aangehouden en de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Anders dan de verdediging is het hof, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, van oordeel dat niet kan worden volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Alles afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is.
Aftrek van voorarrest in de zin van artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht
De verdediging heeft bepleit dat de politierechter ten onrechte artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht heeft toegepast. Hiertoe is naar voren gebracht dat geen sprake is geweest van gelijktijdige berechting in de zin van het vierde lid van die bepaling, aangezien de verdenking in de cocaïnezaak reeds op 5 maart 2024 was komen te vervallen.
Het hof overweegt hiertoe het navolgende. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat wel sprake is van gelijktijdige vervolging in de zin van artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Uit het dossier volgt dat er sprake was van een onderzoek naar de invoer van een partij cocaïne. In het kader van dat onderzoek is de verdachte aangehouden op verdenking van overtreding van de artikelen 2 aanhef en onder C en 10 van de Opiumwet en is diezelfde dag de woning van de verdachte doorzocht en het blok bevattende MDMA in beslag genomen. Dat de verdachte uitsluitend op verdenking van betrokkenheid bij de invoer van een partij cocaïne in voorarrest heeft gezeten en deze verdenking uiteindelijk niet aan de verdachte is tenlastegelegd, maakt het vorenstaande niet anders. Ook de omstandigheid dat de verdachte pas op een later moment door de politie over het bewezenverklaarde is gehoord betekent niet dat ter zake de aangetroffen MDMA geen vervolging plaatsvond. Die vervolging kan worden geacht te zijn aangevangen met de inbeslagneming tijdens de doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake is van één zaak en dat om die reden artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, van toepassing is. Het hof zal bepalen dat ten aanzien van de op te leggen taakstraf de aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal worden toegepast.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. H.A.T.G. Koning en mr. N.J.L.M. Tuijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer en mr. A.D. van Zaalen, griffiers,
en op 31 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. N.J.L.M. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.