Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:858

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
20-000644-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep veroordeelt verdachte voor medeplegen productie en bezit amfetamine

In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd en de verdachte veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, waaronder het voorbereiden, vervaardigen en aanwezig hebben van amfetamine. De verdachte werd deels vrijgesproken door de rechtbank, maar het hof verklaarde deze vrijspraak niet-ontvankelijk wegens beschermde vrijspraak.

De bewezenverklaring betreft het medeplegen van het bezit van 23,4 liter amfetamine, de productie van amfetamine in een drugslab in een woonwijk en het voorhanden hebben van diverse chemicaliën en apparatuur bestemd voor de productie. De verdachte heeft bekend en de bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen en NFI-rapporten, ondersteunen dit.

Het hof weegt de ernst van de feiten, de gevaren van synthetische drugproductie en de maatschappelijke impact zwaar mee. De verdachte wordt gezien als een essentiële schakel in het drugslab. Persoonlijke omstandigheden en een reclasseringsadvies met laag recidiverisico zijn meegewogen. De redelijke termijn is overschreden, wat een strafvermindering oplevert.

De straf bestaat uit 24 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en een geldboete van €20.000, te voldoen in 8 termijnen. De verdachte wordt niet geloofd in zijn verklaring over een beperkte rol. Teruggave van een in beslag genomen geldbedrag wordt gelast.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een geldboete van €20.000 wegens medeplegen productie en bezit van amfetamine.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000644-25
Uitspraak : 27 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-111266-21 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van
  • ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1);
  • ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2) en
  • ‘medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ (feit 3)
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 20.000,00. Voorts heeft de rechtbank de teruggave gelast aan de verdachte van het onder hem in beslag genomen geldbedrag.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 28 februari 2025 is van de zijde van de verdachte onbeperkt hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld.
De rechtbank heeft de verdachte partieel vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, namelijk voor zover daarin is opgenomen dat de verdachte 207,75 gram amfetamine en/of metamfetamine, zijnde amfetamine en/of metamfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I opzettelijk aanwezig heeft gehad. Het hof is van oordeel dat dit een beschermde vrijspraak is.
Gelet op het bepaalde in artikel 404 van Pro het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beslissing van de rechtbank tot voornoemde partiële vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest en tot een geldboete van € 30.0000,00 subsidiair 158 dagen vervangende hechtenis.
De verdediging heeft een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde – tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 23 april 2021 in de gemeente [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 25,6 liter amfetamine en/of metamfetamine, zijnde amfetamine en/of metamfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 januari 2021 tot en met 23 april 2021 in de gemeente [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 19 januari 2021 tot en met 23 april 2021 in de gemeente [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of vervaardigen van amfetamine(-olie), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(-olie), zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen
- ( telkens) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)
- ( onderde(e)l(en) van) een in werking zijnde productieopstelling(en), (bedoeld voor de productie van amfetamine en/of bedoeld voor de productie van MAPAA naar BMK) en/of (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden en/of hardware voorhanden gehad, waaronder een of meerdere (grote) ketel(s) en/of gasfles(sen) en/of (gas)brander(s) en/of kol(f) (ven) en/of (een grote hoeveelheid) jerrycans en/of (IBC)vaten en/of maatbekers en/of een gelaatsmasker en/of
- ( een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: Citroenzuur (ongeveer 125 kg) en/of formamide (ongeveer 180 liter) en/of aceton (ongeveer 185 liter) en/of fosforzuur (ongeveer 150 liter) en/of mierenzuur (ongeveer 240 liter) en/of wijnsteenzuur (ongeveer 95 kg) en/of zoutzuur (ongeveer 40 liter) en/of caustic soda (ongeveer 240 kg) en/of MMA en/of MAPA (ongeveer 525 kg) en/of Methylamine in methanol (ongeveer 105 liter) en/of BMK (ongeveer 7,7 liter).
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 23 april 2021 in de gemeente [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen of een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 23,4 liter amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij in de periode van 1 maart 2021 tot en met 23 april 2021 in de gemeente [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij in de periode van 1 maart 2021 tot en met 23 april 2021 in de gemeente [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit hebbende hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (onderdelen van) een in werking zijnde productieopstelling, bedoeld voor de productie van amfetamine en bedoeld voor de productie van MAPAA naar BMK en (laboratorium)benodigdheden en hardware voorhanden gehad, waaronder grote ketels en gasflessen en gasbranders en een kolf en jerrycans en (IBC)vaten en maatbekers en een gelaatsmasker en chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder
  • citroenzuur en
  • formamide en
  • aceton en
  • fosforzuur en
  • mierenzuur en
  • wijnsteenzuur en
  • zoutzuur en
  • caustic soda en
  • MAPA en
  • Methylamine in methanol en
  • BMK.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen [1]
Nu de verdachte het tenlastegelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof acht de feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 13 maart 2026;
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 april 2021 (pg. 489-492), proces-verbaalnummer PL2300-2021060897-2;
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO d.d. 22 juli 2021 (pg. 80-88), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] ;
Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 25 juni 2021, opgemaakt door de NFI-deskundige [deskundige] (pg. 89-95), voor zover inhoudende als relaas van rapporteur;
Het proces-verbaal van bevindingen analyse telecommunicatie, d.d. 24 juni 2021 (pg. 475-479), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sancties
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof verzocht om bij de oplegging van een gevangenisstraf in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de forse overschrijding van de redelijke termijn in zijn strafzaak. Ten aanzien van de geldboete stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat een geldboete geen geschikte afdoening is, subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht de geldboete te matigen en te bepalen dat de verdachte de geldboete in termijnen kan betalen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Bij het bepalen van de op te leggen sancties neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij de productie van amfetamine heeft voorbereid en bevorderd, amfetamine heeft vervaardigd en meer dan 20 liter amfetamine aanwezig heeft gehad. Op 23 april 2021 werd door de politie een in werking zijnde drugslab aangetroffen in een schuur, waarin eerst MAPA werd omgezet in BMK én waar daarna ook nog eens vanuit die BMK de amfetamine werd vervaardigd. Met zijn gedragingen heeft de verdachte bijgedragen aan de voorbereidingen van deze productielocatie en was hij een essentiële schakel in het geheel. Hierdoor heeft hij ook bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. De productie van synthetische drugs brengen ernstige gevaren met zich mee. Zo bestaat er gevaar voor brand, ontploffing en het vrijkomen van giftige stoffen. Dit had verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor (mensen in) de omgeving, nu het drugslab was gelegen in een woonwijk, tussen meerdere woningen in. Bovendien is algemeen bekend dat de productie en handel van drugs gepaard gaat met (zware) criminaliteit, milieuschade en nadelige maatschappelijke gevolgen zoals gezondheidsschade voor drugsgebruikers, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Dit rekent het hof de verdachte zwaar aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen weliswaar is veroordeeld maar niet ter zake van soortgelijke feiten. In de periode na het bewezenverklaarde is de verdachte niet voor soortgelijke strafbare feiten veroordeeld.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 14 januari 2025, waarin de risico’s op recidive, letselschade en onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als laag. Door de reclassering wordt geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij samen met zijn dochter en zijn vrouw in [plaats 2] woont. De verdachte is werkzaam als gevelreiniger en beschikt over voldoende financiële middelen om zijn gezin goed te onderhouden.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf is voorts van belang de vaststelling dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is geschonden. Deze termijn is in de onderhavige zaak aangevangen op 24 april 2021, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Het vonnis van de rechtbank is gewezen op 18 februari 2025. In eerste aanleg is de redelijke termijn met een periode van 1 jaar en bijna 10 maanden overschreden. Deze overschrijding kan gedeeltelijk worden verklaard door nadere getuigenverhoren die op verzoek van de verdediging in eerste aanleg hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van het hof komt voornoemde overschrijding evenwel niet volledig voor rekening van de verdachte. Zo zijn getuigen in augustus 2023 gehoord, terwijl de zaak eerst in februari 2025 ter terechtzitting in eerste aanleg is aangebracht. Dit is niet aan de verdachte te wijten.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend zijn geweest. Rekening houdend met de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg, zal het hof een korting van 3 maanden toepassen en aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren opleggen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Ook zal het hof aan de verdachte een geldboete opleggen van € 20.000,00, subsidiair 125 dagen hechtenis. Het hof neemt daarbij in overweging dat de verdachte simpelweg niet wordt geloofd daar waar hij verklaarde over zijn eigen rol, namelijk die van eenmalige helper die vanuit interesse, nieuwsgierigheid en lust naar sensatie en spanning zou hebben gehandeld. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van dit hof volgt immers dat de verdachte materialen heeft ingekocht voor de productie van amfetamine. Bovendien valt uit het dossier af te leiden dat bij de verdachte notities zijn aangetroffen over het productieproces. Dat de verdachte geen kennis van de materie had, zoals hij zelf stelt, acht het hof dan ook niet geloofwaardig. Het hof bedeelt hem dan ook een grotere rol toe dan hijzelf doet, eentje waarbij ook de opbrengsten aanzienlijk hoger zijn.
Voorts acht het hof een geldboete een passende sanctie. Het hof ziet geen aanleiding om de geldboete te matigen. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Conform het verzoek van de verdediging zal het hof toestaan dat deze geldboete in termijnen kan worden voldaan.
Beslag
Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beslissing van de rechtbank tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben gehad van 207,75 gram amfetamine en/of metamfetamine, zijnde amfetamine en/of metamfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 20.000,00 (twintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
125 (honderdvijfentwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat het totaal van de
geldboetemag worden voldaan in
8 (acht) termijnenvan
3 maanden, elke termijn groot
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
451,45 EUR (Omschrijving: G1410651).
Aldus gewezen door:
mr. A.C. van Campen, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting en mr. K. Holleman, griffiers,
en op 27 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Limburg, Dienst Regionale Recherche, Team Ondermijning, registratienummer PL2400-2021060897, gesloten d.d. 23 mei 2022, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 561). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.