Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:847

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.341.837_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:83 BWArt. 6:87 BWArt. 6:96 BWArt. 6:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over definitieve totstandkoming en schadevergoeding bij afzien van overname

In deze civiele zaak stond centraal of tussen partijen een definitieve koopovereenkomst tot stand was gekomen voor de overname van aandelen en een bedrijfspand, en of de koper recht had op vernietiging wegens dwaling. Het hof stelde vast dat partijen op 8 oktober 2021 definitieve overeenstemming hadden bereikt over alle onderdelen van de koopovereenkomsten en de escrow-overeenkomst.

De koper had de overname afgeblazen met verwijzing naar vermeende schendingen van geheimhouding en concurrentiebeding. Het hof verwierp het beroep op dwaling omdat de vermeende toekomstige schendingen niet tot vernietiging konden leiden. Vervolgens oordeelde het hof dat de koper vanaf 25 oktober 2021 in verzuim was en aansprakelijk voor de schade van de verkoper.

De verkoper vorderde vergoeding van gemaakte advies- en onderzoekskosten in de onderhandelingsfase. Het hof stelde vast dat deze kosten voldoende waren onderbouwd en dat de verkoper recht had op vergoeding omdat zij deze kosten niet kon voldoen uit de verkoopopbrengst door de niet-nakoming. De vordering tot betaling van een contractuele boete werd afgewezen omdat de overeenkomst niet was ontbonden en de boetebepaling niet van toepassing was.

Het hof vernietigde het vonnis in conventie en wees de schadevergoeding toe, inclusief wettelijke rente vanaf 9 november 2021, buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten. Tevens werd de koper veroordeeld in proceskosten van alle instanties en terugbetaling van door de verkoper betaalde proceskosten in eerste aanleg.

Uitkomst: Het hof oordeelt dat definitieve overeenstemming bestond, wijst het beroep op dwaling af en kent schadevergoeding toe van € 65.287,08 plus incasso- en beslagkosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.341.837/01
arrest van 24 maart 2026
in de zaak van
Holding O.G. [XX] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [XX] ,
advocaat: mr. D. Stikkelbroeck te Maastricht,
tegen
Lindans B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Lindans ,
advocaat: mr. M.M.A.A. van Oosterhout te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 12 maart 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 december 2023, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [XX] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Lindans als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/382784 / HA ZA 22-329)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het hiervoor genoemde vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met één productie;
  • de memorie van antwoord tevens (voorwaardelijke) incidentele memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;
  • de mondelinge behandeling op 15 december 2024, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
  • De bij H12-formulier door [XX] toegezonden producties, die [XX] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

Kern van de zaak
3.1.
[XX] is eigenaar van Oud Papiercentrale [XX] B.V. (hierna: [XX] Papiercentrale). [XX] en Lindans hebben onderhandeld over de overname door Lindans van [XX] Papiercentrale. De bedoeling was dat Lindans de aandelen en het bedrijfspand zou overnemen. Kort voor de afspraak bij de notaris om de overeenkomsten en andere documenten te tekenen, heeft Lindans laten weten dat zij afziet van de overname. Volgens Lindans had [XX] zich niet gehouden aan de overeengekomen geheimhouding en had zij van derden gehoord dat [XX] niet van plan was zich aan het concurrentiebeding te houden.
Het gaat in deze procedure om de vraag of er overeenkomsten tot stand zijn gekomen tussen [XX] en Lindans en zo ja, of [XX] recht heeft op schadevergoeding omdat Lindans deze overeenkomsten niet is nagekomen. Hierbij speelt ook nog de vraag of Lindans terecht een beroep op vernietiging van de overeenkomsten wegens dwaling heeft gedaan.
De feiten
3.2.
In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.1.
[XX] houdt alle aandelen in het kapitaal van [XX] Papiercentrale. [XX] Papiercentrale richt zich op de handel in (oud) papier en afvalstoffen. Zij doet dat in het bedrijfspand aan [adres A] (hierna: het bedrijfspand) in [A] .
3.2.2.
Lindans houdt zich via haar dochtervennootschappen bezig met recycling van
papier, textiel en plastics.
3.2.3.
In de loop van 2020 heeft Lindans interesse getoond in de koop van de aandelen in
[XX] Papiercentrale en het bedrijfspand. Partijen zijn daarop in onderhandeling
getreden.
3.2.4.
Op 26 januari 2021 hebben partijen een intentieovereenkomst (hierna: de
intentieovereenkomst) gesloten. Aan de kant van Lindans heeft [persoon A]
(statutair bestuurder) de intentieovereenkomst ondertekend.
3.2.5.
In de intentieovereenkomst is onder meer bepaald:

Artikel 3 Koopprijs Pro en betaling
3.1
De Koopprijs van de Vennootschap bedraagt EUR 400.000 (zegge: vierhonderd duizend euro). Op de Transactiedatum worden de Aandelen van de Vennootschap overgedragen aan Koper tegen betaling van deze Koopprijs ("
Koopprijs"). Op de Transactiedatum voldoet Koper aan Verkoper additioneel de schuld van de Vennootschap aan Verkoper, zijnde EUR 670.000 (zegge: zeshonderd en zeventig duizend euro) ("
schuld"). Indien de schuld per de Effectieve datum hoger of lager dan dit bedrag uitvalt, wordt de Koopprijs in gelijke
hoogte aangepast, met dien verstande dat Koper per de Effectieve datum in elk geval EUR 1.070.000 (zegge: één miljoen en zeventig duizend euro) aan Verkoper betaalt.
3.2
Van de Koopprijs zal een bedrag van EUR 75.000 (vijfenzeventigduizend euro) op de Transactiedatum worden voldaan aan Verkoper door verrekening met de vordering van Koper op Verkoper uit hoofde van een door Verkoper aan Koper te verstrekken escrow (de "
Escrow"). De voorwaarden waaronder de escrow wordt verstrekt zullen nader worden vastgelegd in een schriftelijke Escrowovereenkomst (de "
Escrowovereenkomst").
Artikel 4 Vastgoed Pro
4.1
Partijen komen ten aanzien van het Bedrijfspand van Verkoper, gelegen aan [adres A] (het "
Bedrijfspand") tevens overeen dat Koper het Bedrijfspand per de Transactiedatum van Verkoper koopt voor een bedrag groot € 2.550.000 (tweemiljoenvijfhonderdenvijftigduizend euro).
4.2
Ten behoeve van het Bedrijfspand, zoals bedoeld in artikel 4 lid Pro 1, heeft Verkoper momenteel geen (brand)verzekering afgesloten. Partijen streven ernaar om per Transactiedatum alsnog tot een verzekering hiervan te komen. Partijen komen verder het volgende overeen:
(i) Partijen zullen elk ten behoeve van de bedoelde verzekering een controle laten uitvoeren aan de elektrische installatie van het Bedrijfspand.
(ii) De kosten voor het in de juiste staat brengen van de elektrische installatie van het Bedrijfspand komen voor rekening van Verkoper. Partijen maximeren de kosten voor het in de juiste staat brengen van de elektrische installatie op € 175.000 (zegge: honderdvijfenzeventig duizend euro), welk bedrag in mindering gebracht wordt op de koopsom zoals genoemd in Artikel 4.1. Partijen zeggen toe naar redelijkheid en billijkheid een oplossing te zullen nastreven die wederzijds tot tevredenheid stemt en passend is.
(...)
4.3
Partijen zullen de in artikel 4 lid 1 en Pro 2 bedoelde afspraken vastleggen in een separaat op te stellen koopovereenkomst.
Artikel 6 Opschortende Pro voorwaarden
6.1
Koper is slechts gehouden om de Transactie aan te gaan, indien aan ieder van de navolgende voorwaarden is voldaan, dan wel Koper van de vervulling daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien:
(...)
b. het bereiken van definitieve overeenstemming over alle onderdelen van de Koopovereenkomst en daarmee verband houdende overeenkomsten en verklaringen (waaronder de Escrow-overeenkomst);
(...)
Als een van de voorwaarden als bedoeld in Artikel 6.1 of 6.2 niet wordt vervuld of de partij in wiens belang de voorwaarde is overeengekomen niet van de vervulling ervan uitdrukkelijk heeft afgezien, zal geen van de partijen enige vergoeding van schade en/of kosten aan de ander verschuldigd zijn indien de beoogde Transactie om die reden, in welk stadium dan ook, geen doorgang vindt.
Artikel 10 Exclusiviteit Pro
Verkoper zal zich onthouden van enige activiteit die de beoogde Transactie in de weg staat dan wel zou kunnen staan, en Verkoper zal zich tot de Transactiedatum onthouden van enige activiteit die direct of indirect zou kunnen leiden tot verkoop van (een deel van) de Aandelen en/of Activa of van (een deel van) de Vennootschap aan een derde partij.
Artikel 12 Geheimhouding Pro
12.1
Partijen zullen te allen tijde en tegenover iedere derde, niet zijnde een adviseur van een van de partijen, volstrekte geheimhouding betrachten ter zake de onderhandelingen welke tussen partijen hebben plaatsgevonden, de kennis en de inzichten die zij in de onderhandelingen hebben opgedaan over enig facet van de bedrijfsactiviteiten en de financiële positie van de ander en/of de Vennootschap, tenzij het verschaffen van zulke
inlichtingen noodzakelijk is om de Koopovereenkomst te effectueren dan wel berust op
een wettelijke verplichting.”
3.2.6.
Tussen partijen is vervolgens verder overleg gevoerd, bijvoorbeeld over het feit dat
het bedrijfspand in de toenmalige staat moeilijk te verzekeren bleek tegen brand en een
aantal gebreken kende. Partijen kwamen met het oog hierop een korting op de koopprijs van
het bedrijfspand overeen van € 525.000,00.
3.2.7.
Op 14 juli 2021 e-mailde [persoon B] (hierna: [persoon B] ) namens Lindans :
“We hebben een aantal zaken overlegd en hierbij onze laatste punten:
(…)
Graag ontvangen wij de aangepaste overeenkomsten retour, zodat wij op korte termijn een afspraak bij de notaris kunnen plannen.
(...)”
3.2.8.
In vervolg daarop e-mailde [persoon B] op 22 juli 2021 onder meer:
“We stellen daarom voor closing datum op 1 augustus te houden, mits dit haalbaar is voor de notaris, met de gebruikelijke garanties voor koper in de koopakte.”
3.2.9.
Er is een (beperkt) due diligence onderzoek uitgevoerd.
3.2.10.
Bij de hiervoor genoemde e-mailberichten van 14 en 22 juli 2021 hebben partijen concepten uitgewisseld van de koopovereenkomst aandelen en de koopovereenkomst onroerend goed (productie 5 en 6 bij dagvaarding). De als productie 5 bij dagvaarding overgelegde “koopovereenkomst van aandelen” bevat blijkens de inhoudsopgave de volgende onderwerpen:
Artikel 1 Definities Pro en interpretatie
Artikel 2 Verkoop Pro en levering van de Aandelen
Artikel 3 Koopprijs Pro [€ 398.890 plus aflossing RC-schuld € 671.110, toev. hof]
Artikel 4 Closing Pro [26 juli 2021, toev. hof]
Artikel 5 Verdere Pro verplichtingen
Artikel 6 Garanties Pro en voorstelling van zaken
Artikel 7 Aansprakelijkheid Pro van Verkoper
Artikel 8 Verweer Pro tegen Derdenclaims
Artikel 9 Vrijwaringen Pro
Artikel 10 Non Pro-concurrentie
Artikel 11 Geheimhouding Pro
Artikel 12 Effect Pro van Beëindiging
Artikel 13 Betalingen Pro
Artikel 14 Kennisgevingen Pro
Artikel 15 Volledige Pro overeenkomst
Artikel 16 Diversen Pro [waaronder afstand van het recht op ontbinding of vernietiging, toev. hof]
Artikel 17 Toepasselijk Pro recht / Geschillen
Bijlagen
Bijlage 1 Definities en interpretatie
Bijlage 2 Onttrekkingen
Bijlage 3 Closing handelingen
Bijlage 4 Concept Akte van Levering Aandelen
Bijlage 5 Disclosure Bijlage
Bijlage 6 Garanties
Bijlage 7 Betalingen
Bijlage 8 Kennisgevingen
Bijlage 9 Funds Flow
Bijlage 10 Koopovereenkomst OG
Bijlage 11 Escrowovereenkomst
Bijlage 12 Winst- en verliesrekening, balans van Oud Papiercentrale [XX] B. V.
Addendum Werknemers over de periode 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2021”
3.2.11.
Bij de als productie 5 bij dagvaarding overgelegde “koopovereenkomst van aandelen” zit een aantal van de genoemde bijlagen. De ontbrekende bijlagen zijn
4, 5, 9, 10, 11, 12 en het addendum.
3.2.12.
De als productie 6 bij dagvaarding overgelegde “koopovereenkomst voor
bedrijfsonroerendgoed” bevat een 14-tal artikelen voor de verkoop en levering (toen
gepland op 26 juli 2021) van het bedrijfspand tegen een koopprijs van € 2.025.000,00.
3.2.13.
Artikel 9 van Pro deze “koopovereenkomst voor bedrijfsonroerendgoed” gaat over
“Ingebrekestelling en ontbinding”. Voor zover van belang, is in dit artikel neergelegd:
“1. Indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit deze koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige deze koopovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige partij.
2. (…) Bij ontbinding van de koopovereenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van tien procent (10%) van de koopsom verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding (...).
3. Indien de wederpartij geen gebruik maakt van zijn recht de koopovereenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in artikel 9 lid 1 vermelde Pro termijn van acht dagen voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van drie promille (3 %o) van de koopsom met een maximum van tien procent (10%) van
de koopsom verminderd met het reeds in de vorm van een dagboete betaalde bedrag, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding (...)”
3.2.14.
Per e-mail van 6 augustus 2021 heeft het notariskantoor enkele concept stukken die
betrekking hebben op de levering van de aandelen naar onder meer [persoon A] gestuurd. In deze e-mail is ook een reactie gegeven op de concept escrow-overeenkomst. De
afspraak voor ondertekening van de diverse akten stond blijkens deze e-mail gepland voor
6 september 2021.
3.2.15.
Hierna heeft Lindans verzocht om een bodemonderzoek op het terrein van het
bedrijfspand te mogen laten uitvoeren.
3.2.16.
[persoon B] e-mailde op 7 september 2021, met de directie cc, diverse opmerkingen
over de concept escrowovereenkomst en de beide koopovereenkomsten. Daarop werd
zijdens [XX] op 8 september 2021 gereageerd met onder andere:
“De aanpassingen van jullie kant zijn grotendeels akkoord.”
3.2.17.
Per e-mail van 9 september 202 1 stuurde [persoon B] , met de directie cc:
“Wij kunnen ons vinden in de wijzigingen, dus ook het gebruik van het terrein van [locatie B] tot en met 31 maart 2022. We wachten nu de uitkomst van het bodemonderzoek af, dan kunnen we de koopovereenkomst OG afronden.”
3.2.18.
Op 8 oktober 2021 e-mailde [persoon B] vervolgens, met de directie cc, aan (adviseurs van) [XX] :
“Wij zijn tevreden met de inhoud van het bodemonderzoek, jullie ook zo te lezen. Door persoonlijke omstandigheden kunnen wij vooralsnog niet voor half november tekenen bij de notaris. Ik zal dit met de notaris afstemmen en een nieuwe datum vaststellen, uiteraard in overleg met jullie.
Indien de persoonlijke omstandigheden sneller dan verwacht positief ontwikkelen, dan kunnen we proberen om een eerdere datum bij de notaris te plannen.
Wat betreft de koopovereenkomsten en escrow-overeenkomst, deze kunnen wat ons betreft op korte termijn getekend worden. Dan hebben beide partijen zekerheid en kan de notaris haar werk verder voorbereiden.”
3.2.19.
Op 13 oktober 2021 e-mailde het notariskantoor vervolgens aan partijen
(waaronder [persoon A] ):
“Via [persoon B] vernam ik dat het bodemonderzoek inmiddels is afgerond en dat wij op korte termijn de definitieve overeenkomsten kunnen verwachten. Ik begreep dat er een voorkeur is voor een passeerafspraak op 8 of 9 november aanstaande. In onze agenda komt dinsdag 9 november het beste uit. De afspraak kan gepland worden om 9 uur, 10 uur of 11 uur. Graag verneem ik van u wat u allen het beste schikt.”
3.2.20.
[persoon B] liet (wederom met [persoon A] in cc) per e-mail van 14 oktober 2021
aan het notariskantoor weten:
“Hierbij ook de bevestiging vanuit CVB [ Lindans , toev. hof] voor dinsdag 9 november om 10:00 uur.”
3.2.21.
Op 25 oktober 2021 stuurde [persoon B] echter per e-mail aan (de adviseurs van)
[XX] :
“Vrijdag is ons ter ore gekomen dat de heer [XX] relatie(s) heeft geïnformeerd over de aanstaande overname van OPC [XX] door CVB/ Lindans . Dit is in strijd met de geheimhoudingsplicht die wij zijn overeengekomen. Daarnaast heeft de heer [XX] ook gemeld dat hij door zou gaan met oud papier activiteiten op de nieuwe locatie aan [locatie B] te [A] . Dit in strijd met de bepaling van de koopovereenkomst van
aandelen, waarin we alleen een uitzondering hebben gemaakt voor de op- en overslag van oud papier. Gezien deze 2 schendingen van de gemaakte afspraken zullen wij afzien van de overname van OPC [XX] . Ik zal de notaris hiervan op de hoogte stellen en de gemaakte afspraak van 9 november a.s. annuleren.”
3.2.22.
[XX] heeft zich daar direct tegen verzet. Per er-mail van 26 oktober 2021
stuurde [persoon C] in reactie:
“Naar aanleiding van jouw emailbericht van gisteren hebben [persoon D] en ik inmiddels overleg gehad met de heer [XX] . De heer [XX] herkent zich geheel niet in hetgeen door jou in jouw e-mail van gisteren wordt gesteld. Er is géén sprake van het verbreken van de geheimhoudingsplicht en er is géén sprake van het opstarten of beoogd opstarten van concurrerende oud-papier activiteiten zoals jij suggereert (...).”
3.2.23.
Partijen correspondeerden in de daarop volgende dagen verder per e-mail. Lindans
stelde zich daarin op het standpunt dat nog geen sprake is van definitieve koopovereenkomsten en dat [XX] de wel overeengekomen geheimhoudingsverplichting heeft overtreden en voornemens is verboden concurrerende activiteiten te verrichten. [XX] stelde zich daarin op het standpunt dat wel sprake is van definitieve koopovereenkomsten en dat geen sprake is van overtreding van het geheimhoudingsbeding alsook dat geen sprake is van een voornemen verboden concurrerende activiteiten te verrichten.
3.2.24.
In de daarop volgende weken hebben partijen geprobeerd om tot een oplossing te
komen. Zo schreef [persoon B] per brief van 22 november 2021 dat Lindans als teken van goede
wil akkoord was met het passeren van de akte van levering voor het bedrijfspand die week,
maar dat ten aanzien van de koopovereenkomst van aandelen onder meer gevraagd werd om
aanvullende garanties met betrekking tot het non-concurrentiebeding. Namens [XX]
werd per brief van 7 december 2021 onder meer meegedeeld dat de koopovereenkomsten
een “package deal” vormden en dat het enkel nakomen van de koopovereenkomst van het
bedrijfspand juridisch en feitelijk onmogelijk is.
3.2.25.
Partijen correspondeerden verder, maar kwamen er niet uit. Per e-mail van 5 januari 2022 heeft de advocaat van [XX] aan Lindans bericht dat [XX] haar vordering ex artikel 6:87 BW Pro wenst om te zetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding
en derhalve nakoming van de koopovereenkomsten inmiddels niet meer mogelijk is.
3.2.26.
Op 19 april 2022 heeft [XX] ten laste van Lindans conservatoir derdenbeslag
laten leggen.
3.2.27
[XX] Papiercentrale is op 2 december 2025 failliet verklaard.
Het geschil in eerste aanleg
3.3.1.
In de procedure bij de rechtbank vorderde [XX] in conventie veroordeling van Lindans tot betaling aan haar van € 260.787,08, althans € 202.500,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke (handels)rente. [XX] vorderde voorts veroordeling van Lindans in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.2.
Lindans heeft gemotiveerd verweer gevoerd, een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen en een eis in reconventie ingesteld.
Lindans vorderde in reconventie een verklaring voor recht dat tussen partijen geen
bindende overeenkomsten zijn gesloten met betrekking tot de overname, behoudens de door
beide partijen ondertekende intentieovereenkomst, althans vernietiging van deze overeenkomsten op grond van dwaling. Lindans vorderde voorts veroordeling van [XX] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.3.
In het vonnis in incident van 7 september 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat zij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [XX] . De rechtbank heeft de incidentele vordering van Lindans afgewezen en bepaald dat de zaak op de rol zal komen voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
3.3.4.
Bij tussenvonnis van 21 september 2021 heeft de rechtbank een verschijning van partijen bevolen voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking.
3.3.5.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank zowel de vorderingen van [XX] in conventie als de vorderingen van Lindans in reconventie afgewezen, met veroordeling van [XX] in de proceskosten in conventie en Lindans in de proceskosten in reconventie.
Het geschil in hoger beroep
3.4.1.
[XX] heeft in het principale hoger beroep twee grieven aangevoerd en haar eis gewijzigd. [XX] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het toewijzen van haar gewijzigde eis.
[XX] vordert in hoger beroep primair veroordeling van Lindans tot betaling van € 260.787,08, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente.
[XX] vordert subsidiair veroordeling van Lindans tot betaling van € 202.500,00, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente en een verklaring voor recht dat Lindans toerekenbaar tekort is geschoten jegens [XX] en aansprakelijk is voor de door [XX] daardoor geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat.
[XX] vordert ten slotte veroordeling van Lindans tot terugbetaling van de door [XX] in eerste aanleg betaalde proceskosten van € 10.429,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, en veroordeling van Lindans in de proceskosten in beide instanties.
3.4.2.
Lindans heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld en twee grieven aangevoerd. Lindans heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [XX] in de proceskosten.
3.4.3.
Gezien de inhoud van de grieven in het principale en incidentele hoger beroep gaat het in dit hoger beroep om:
I de vraag of er op 8 oktober 2021 tussen partijen een koopovereenkomst aandelen en een koopovereenkomst bedrijfspand tot stand zijn gekomen;
II zo ja, of deze op grond van dwaling vernietigd moeten worden, en
III of [XX] recht heeft op schadevergoeding en/of de in de koopovereenkomst bedrijfspand opgenomen boete vanwege niet-nakoming door Lindans .
Is er een overeenkomst tot stand gekomen?
3.5.1.
Met grief 1 in het voorwaardelijke incidentele hoger beroep komt Lindans op tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen volledige overeenstemming hadden over de essentialia van de te sluiten overeenkomst en dat er op 8 oktober 2021 tussen partijen een koopovereenkomst aandelen en een koopovereenkomst bedrijfspand tot stand zijn gekomen. Volgens Lindans heeft de rechtbank miskend dat partijen in artikel 6.1.b van de intentieverklaring zijn overeengekomen dat Lindans pas gehouden is om de transactie aan te gaan bij het bereiken van definitieve overeenstemming over alle onderdelen van de koopovereenkomsten en de daarmee verband houdende overeenkomsten en verklaringen (waaronder de Escrow-overeenkomst) en is aan deze voorwaarde niet voldaan.
3.5.2.
Naar het oordeel van hof is Lindans inderdaad pas gebonden aan de koopovereenkomst aandelen en de koopovereenkomst bedrijfspand bij het bereiken van definitieve overeenstemming over alle onderdelen daarvan en de met die overeenkomsten verband houdende overeenkomsten en verklaringen (waaronder de Escrow-overeenkomst) en is het dus niet voldoende dat partijen het eens zijn over de essentialia van de overeenkomst. In zoverre slaagt grief 1 in het incidentele hoger beroep. Tot vernietiging van het bestreden vonnis leidt dit echter niet.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen door partijen in verband daarmee is aangevoerd blijkt immers dat partijen op 8 oktober 2021 definitieve overeenstemming hebben bereikt over alle onderdelen van de koopovereenkomst aandelen en de koopovereenkomst bedrijfspand en de daarmee verband houdende overeenkomsten en verklaringen (waaronder de Escrow-overeenkomst). Het hof ligt dit oordeel hieronder toe.
3.5.3.
Op 7 september 2021 heeft [persoon B] namens Lindans per e-mail aan de adviseur van [XX] gereageerd op de concept escrow-overeenkomst, de concept koopovereenkomst aandelen en de concept koopovereenkomst onroerend goed. Bij e-mail van 8 september 2021 aan [persoon B] , heeft de adviseur van [XX] hierop gereageerd met de mededeling dat de aanpassingen van Lindans grotendeels akkoord zijn en dat de aanpassingen zijn verwerkt in de bijgevoegde bijlagen. Hierop heeft [persoon B] in zijn e-mail van 9 september 2021namens Lindans gereageerd dat zij zich kunnen vinden in de wijzigingen en dat de uitkomst van het bodemonderzoek wordt afgewacht, waarna de koopovereenkomst onroerend goed kan worden afgerond.
Na afronding van het bodemonderzoek, heeft de adviseur van [XX] aan [persoon B] op 7 oktober 2021 gemaild dat het bodemonderzoek positief nieuws oplevert en dat hij, als er een nieuwe datum is voor de notaris, de overeenkomsten hierop zal aanpassen. De reactie van [persoon B] in zijn e-mail van 8 oktober 2021 is dat hij een afspraak bij de notaris zal maken en dat de koopovereenkomsten en escrow-overeenkomst wat Lindans betreft op korte termijn getekend kunnen worden.
Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat partijen het op 8 oktober 2021 eens waren over de koopovereenkomst aandelen, de koopovereenkomst onroerend goed en de escrow-overeenkomst.
3.5.4.
Lindans heeft in dit verband aangevoerd dat de adviseur van [XX] op 13 oktober 2021 aan de notaris heeft gemaild dat 9 november om 10 uur akkoord is en dat hij de overeenkomsten na overleg met de koper op korte termijn zal toesturen, waarna [persoon B] op 21 oktober 2021 per e-mail aan de adviseur van [XX] heeft geschreven dat zij tot op heden nog geen terugkoppeling op de overeenkomsten hebben ontvangen en heeft gevraagd wanneer zij de overeenkomsten kunnen verwachten. Volgens Lindans blijkt hieruit dat partijen het nog niet volledig eens waren over de koopovereenkomst aandelen, de koopovereenkomst onroerend goed en de escrow-overeenkomst.
Het hof volgt Lindans hierin niet. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt immers dat partijen het op 8 oktober 2021 eens waren over de gehele inhoud van de overeenkomsten. Lindans heeft niet aangevoerd dat er na 8 oktober 2021 nog inhoudelijk is gesproken over de inhoud van de overeenkomsten, en dat blijkt ook nergens uit. Dat er na 8 oktober 2021 niet meer inhoudelijk is gesproken over de inhoud van de overeenkomsten is door partijen tijdens de mondelinge behandeling bovendien bevestigd. Dit maakt dat uit het verzoek van [persoon B] om toezending van de overeenkomsten in verband met de afspraak van de notaris, niet kan worden afgeleid dat partijen het niet eens waren over de inhoud van de overeenkomsten. Andere feiten waaruit zou volgen dat [XX] moest begrijpen dat er ondanks de hiervoor besproken verklaringen en gedragingen van partijen over en weer toch geen overeenstemming over de koopovereenkomst aandelen, de koopovereenkomst onroerend goed en de escrow-overeenkomst was bereikt, heeft Lindans niet aangevoerd en dat blijkt ook nergens uit. Lindans heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat partijen op grond van artikel 6.1.b. van de intentieverklaring redelijkerwijs moesten begrijpen dat de wilsovereenstemming ‘over alle onderdelen’ pas ‘definitief’ was na toezending van schriftelijke overeenkomsten door (de adviseur van) [XX] of het ondertekenen daarvan, zoals Lindans in haar eerste grief aanvoert.
3.5.5.
Lindans heeft ten slotte nog aangevoerd dat niet alle bijlagen bij de koopovereenkomst aandelen beschikbaar waren, en dat er om die reden dan ook geen sprake kan zijn van overeenstemming over alle onderdelen van de Koopovereenkomst en de daarmee verband houdende overeenkomsten en verklaringen zoals bedoeld in artikel 6.1.b. van de intentieverklaring.
Het hof volgt Lindans ook hierin niet. In de eerste plaats geldt dat Lindans zelf op 8 oktober 2021 aan de adviseur van [XX] heeft gemaild dat de koopovereenkomsten en de escrow-overeenkomst volgens haar konden worden ondertekend, zonder hierbij enig voorbehoud te maken ten aanzien van bijlagen die volgens haar nog niet beschikbaar waren en waarover nog geen overeenstemming zou bestaan. [XX] mocht er op dat moment gelet op de verklaringen en gedragingen van partijen over en weer derhalve vanuit gaan dat de in artikel 6.1.b. van de intentieverklaring bedoelde overeenstemming was bereikt. Het hof verwijst hier ook naar hetgeen in 3.5.4. is overwogen.
Hierbij komt dat een groot deel van de door Lindans in dit verband genoemde bijlagen wel beschikbaar waren. Het gaat Lindans kennelijk om de door de rechtbank in rov. 4.8. van het bestreden vonnis genoemde bijlagen: de escrow-overeenkomst (bijlage 11 bij de koopovereenkomst aandelen), de definitieve koopovereenkomst onroerend goed (bijlage 10 bij de koopovereenkomst aandelen), het overzicht van de werknemers (addendum bij de koopovereenkomst aandelen), de conceptakte van levering van aandelen (bijlage 4 bij de koopovereenkomst aandelen) en de verlies- en winstrekening (bijlage 12) en funds flow (bijlage 9).
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat er overeenstemming bestond over de escrow-overeenkomst (bijlage 11) en koopovereenkomst onroerend goed (bijlage 10). De conceptakte van levering van aandelen (bijlage 4) was reeds toegestuurd door de notaris, en gesteld noch gebleken is dat hierover geen overstemming bestond.
De winst- en verliesrekening (bijlage 12) en het overzicht van werknemers (addendum) waren in mei 2021 al aan Lindans toegestuurd, zo blijkt uit de door [XX] als producties 33 tot en met 35 overgelegde e-mailberichten uit die periode. Hierbij komt dat deze stukken niet kwalificeren als overeenkomsten of verklaringen waarover partijen het eens moeten worden zoals bedoeld in artikel 6.1.b. van de intentieverklaring. Het gaat om informatie die door [XX] als verkoper moet worden verstrekt en op basis waarvan Lindans kan beoordelen of [XX] heeft voldaan aan de garantiebepalingen. Ook de fundsflow (bijlage 9) kwalificeert niet als een overeenkomst of verklaring waarover partijen het eens moeten worden zoals bedoeld in artikel 6.1.b. van de intentieverklaring. Dit is immers de instructie aan de notaris op welke rekening de betalingen moeten worden gedaan.
Is de overeenkomst vernietigbaar op grond van dwaling?
3.6.1.
Met grief 2 in het voorwaardelijke incidentele hoger beroep komt Lindans op tegen het oordeel van de rechtbank dat Lindans haar beroep op dwaling onvoldoende heeft onderbouwd en dat de vordering tot vernietiging op grond van dwaling wordt afgewezen.
Volgens Lindans heeft de heer [XX] ten opzichte van derden aangegeven dat hij in privé of anderszins zijn werkzaamheden simpelweg zou voortzetten. Dit levert volgens Lindans dwaling omtrent een mededeling zijdens [XX] op die van essentieel belang was omdat de bedoeling van partijen was dat de heer [XX] zich zou onthouden van concurrerende activiteiten. Lindans verwijst in haar grief naar hetgeen zij in eerste aanleg heeft aangevoerd. In haar conclusie van antwoord onder C voert Lindans aan dat de concurrerende handelingen die [XX] volgens Lindans zou gaan verrichten, in strijd zouden zijn met artikel 10 van Pro het concept van de koopovereenkomst aandelen. Het is, zo betoogt Lindans , uiteraard zinledig om een overeenkomst aan te gaan wanneer voorafgaand aan het sluiten van die overeenkomst vast komt te staan dat de wederpartij zich niet aan de afspraken gaat houden.
3.6.2.
In artikel 10 van Pro de koopovereenkomst aandelen staat een concurrentieverbod voor [XX] en de heer [XX] . Hiermee zeggen [XX] en de heer [XX] als het ware toe dat zij gedurende een bepaalde periode vanaf de levering van de aandelen de in het artikel genoemde activiteiten niet zullen verrichten, op straffe van een boete. De stellingen van Lindans in dit kader komen erop neer dat zij na het bereiken van overeenstemming over de koopovereenkomst aandelen, althans in ieder geval na het bereiken van overeenstemming over de non-concurrentiebepaling (zie de e-mail van [persoon B] van 25 oktober 2021, rov. 3.2.21. hiervoor waar hij spreekt over ‘strijd met de bepaling in de koopovereenkomst aandelen’), heeft gehoord dat de heer [XX] van plan was zijn werkzaamheden voort te zetten en dat toen voor haar duidelijk werd dat [XX] en de heer [XX] zich niet aan deze toezegging zouden houden. De rechtsgevolgen hiervan - indien de stellingen van Lindans , die [XX] betwist, zouden komen vast te staan - worden echter niet beheerst door dwaling. De hiervoor weergegeven stellingen van Lindans begrijpt het hof aldus dat [XX] volgens Lindans het overeengekomen non-concurrentiebeding zal gaan overtreden. De rechtsgevolgen van deze stellingen zouden een beroep op wanprestatie kunnen rechtvaardigen. Een dergelijk beroep heeft Lindans echter niet gedaan. Voor zover de stellingen van Lindans wel als een beroep op dwaling moeten worden begrepen, betreft het dwaling over een omstandigheid die ten tijde van het sluiten van (artikel 10 van Pro) de koopovereenkomst aandelen uitsluitend toekomstig was, namelijk of [XX] het concurrentieverbod vanaf de levering van de aandelen zou gaan nakomen.
3.6.3.
Het beroep van Lindans op dwaling gaat dus niet op. Grief 2 in incidentele hoger beroep slaagt niet.
Heeft [XX] recht op schadevergoeding?
3.7.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat Lindans op grond van de koopovereenkomst aandelen en de koopovereenkomst onroerend goed gehouden was om op 9 november 2021 mee te werken aan de leveringen ter uitvoering van de koopovereenkomsten, en dat zij, door dat niet te doen, is tekortgeschoten in de nakoming van deze overeenkomsten. Volgens [XX] is Lindans vanaf 25 oktober 2021 op grond van artikel 6:83 aanhef Pro en onder c BW in verzuim omdat uit het e-mailbericht van [persoon B] van die datum volgt dat Lindans de koopovereenkomsten niet zal nakomen.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Lindans aangevoerd dat er geen sprake was van verzuim aan haar zijde omdat de mededeling van 25 oktober 2021 kwalificeert als opschorting in de zin van artikel 6:263 BW Pro. Dit verweer was door Lindans nog niet eerder gevoerd, hoewel [XX] reeds in de inleidende dagvaarding heeft gesteld dat sprake is van verzuim aan de zijde van Lindans . Dit is in strijd met de in artikel 347 lid 1 Rv Pro besloten tweeconclusieregel. [XX] heeft er tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bezwaar tegen gemaakt dat dit verweer alsnog in de rechtsstrijd tussen partijen wordt betrokken. Naar het oordeel van het hof doet zich hier geen uitzondering op de tweeconclusieregel voor. Het hof zal dit verweer van Lindans dan ook buiten beschouwing laten. Het is dan ook ten overvloede dat het hof opmerkt dat de bedoelde mededeling van 25 oktober 2021 niet als een beroep op opschorting kan worden begrepen, nu Lindans daarin ondubbelzinnig en zonder voorbehoud mededeelt dat zij zal afzien van de overname.
3.7.2.
Dit betekent dat het uitgangspunt is dat Lindans vanaf 25 oktober 2021 in verzuim was met betrekking tot de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst aandelen en de koopovereenkomst onroerend goed en dat zij op grond van artikel 6:74 BW Pro aansprakelijk is voor de schade die [XX] heeft geleden als gevolg van de tekortkomingen van Lindans .
[XX] vordert vergoeding van de schade die bestaat uit de tevergeefs gemaakte advies- en onderzoekskosten. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat [XX] die kosten ook gemaakt zou hebben indien Lindans niet zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomsten. Hiertegen richt zich grief 1 in het principale hoger beroep.
[XX] heeft aangevoerd dat als de koopovereenkomsten correct zouden zijn nagekomen, zij de overeengekomen koopsom zou hebben ontvangen, waarmee zij de door haar gemaakte advies- en onderzoekskosten zou hebben kunnen voldoen. Nu Lindans de koopovereenkomsten niet is nagekomen, kan [XX] de advies- en onderzoekskosten niet uit de verkoopopbrengst voldoen en komen deze kosten in aanmerking voor vergoeding door Lindans , aldus nog steeds [XX] .
Volgens Lindans zouden deze kosten ook zijn gemaakt indien zij de overeenkomst wel zou zijn nagekomen en zijn zij dus niet veroorzaakt door haar tekortschieten en zijn zij bovendien eenmalig, in die zin dat zij bij een eventuele nieuwe koper niet opnieuw hoeven worden gemaakt. De door [XX] gevorderde schadevergoeding kan dus niet worden toegewezen, aldus Lindans .
3.7.3.
Het hof stelt voorop dat voor wat betreft de omvang van de door Lindans verschuldigde schadevergoeding als uitgangspunt geldt dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit (dus: de tekortkoming) niet zou hebben plaatsgevonden. Dit brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden, dus als ware de verbintenis correct nagekomen. Dit wordt wel aangeduid als het positieve contractsbelang.
3.7.4.
[XX] vordert schadevergoeding ter grootte van de door haar in de onderhandelingsfase gemaakte advies- en onderzoekskosten. De stellingen van [XX] die hiervoor in rov. 3.7.2. zijn weergegeven, komen erop neer dat in de toestand zoals die werkelijk is (door de niet-nakoming van Lindans ) haar vermogen is verminderd met de gemaakte kosten in de onderhandelingsfase, terwijl die vermindering zich niet zou hebben voorgedaan indien Lindans de overeenkomsten zou zijn nagekomen omdat in dat geval de door [XX] te ontvangen koopprijs (deels) zou hebben gediend ter dekking van die kosten.
Dit wordt op zichzelf door Lindans niet betwist. Lindans heeft niet aangevoerd dat het zou gaan om een voor [XX] verliesgevende transactie of een transactie waarvan de opbrengst voor [XX] niet voldoende zou zijn om de door [XX] gemaakte kosten te dekken, en dit ligt ook niet voor de hand. Hierbij komt dat het gaat om kosten van in totaal € 65.287,08 (zie rov. 3.7.7. e.v.), terwijl de overeengekomen koopprijs voor de aandelen € 1.070.000,- is en voor het onroerend goed € 2.550.000,-. Dit alles maakt dat [XX] naar het oordeel van het hof voldoende heeft onderbouwd dat de door [XX] te ontvangen koopprijs voldoende zou zijn ter dekking van de in de onderhandelingsfase gemaakte kosten en er in geval van nakoming van de overeenkomsten door [XX] dus geen vermogensvermindering voor dat bedrag zou zijn ontstaan. Lindans is de overeenkomsten echter niet nagekomen, waardoor het vermogen van Lindans is verminderd met het bedrag van de door [XX] in de onderhandelingsfase gemaakte advies- en onderzoekskosten. Dit maakt dat [XX] recht heeft op schadevergoeding ter grootte van het bedrag van deze kosten.
Dat [XX] deze kosten ook zou hebben gemaakt indien Lindans de overeenkomsten zou zijn nagekomen, doet hieraan niet af. In dat geval zou [XX] immers de koopprijs hebben ontvangen, waarmee de kosten zouden zijn gedekt.
3.7.5.
Dat de kosten van [XX] eenmalig zijn in die zin dat bij een eventuele nieuwe koper die kosten niet opnieuw hoeven te worden gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de hiervoor in rov. 3.7.3. weergegeven maatstaf volgt immers dat [XX] in de positie moet worden gebracht alsof Lindans de koopovereenkomsten wel zou zijn nagekomen, en in dat geval zou haar vermogen niet zijn verminderd met het bedrag van de gemaakte kosten. Hierbij komt dat vast staat dat [XX] Papiercentrale op 2 december 2025 in staat van faillissement is verklaard. Tot een nieuwe verkoop zal het dus niet meer komen.
3.7.6.
Lindans heeft aangevoerd dat de papierprijzen en de prijzen voor onroerend goed tijdens de onderhandelingsfase zijn gestegen. Voor zover Lindans hiermee bedoelt een beroep op voordeelstoerekening ex artikel 6:100 BW Pro te doen, geldt dat de stelplicht en bewijslast op Lindans rusten. Lindans volstaat met enkele algemene stellingen over de stijging van de papierprijs en de stijging van de waarde van het onroerend goed, zonder nader te onderbouwen dat en zo ja, in welke mate, per saldo (dus met inachtneming van zowel de kosten als de baten) daadwerkelijk sprake is geweest van een voordeel voor [XX] , terwijl Lindans evenmin heeft toegelicht dat toerekening van dat voordeel in de gegeven omstandigheden redelijk is.
3.7.7.
Gezien hetgeen hiervoor in rov. 3.7.4. is overwogen, zal het hof beoordelen of de [XX] haar stelling dat zij in de onderhandelingsfase bepaalde kosten heeft gemaakt voldoende heeft onderbouwd.
[XX] heeft in de eerste plaats gesteld dat zij een bedrag van € 42.982,25 heeft betaald in aan de door haar ingeschakelde adviseurs. Ter onderbouwing hiervan heeft [XX] de facturen van de adviseurs overgelegd. Op basis hiervan heeft zij een overzicht gemaakt van de door de adviseurs gedeclareerde uren die betrekking hebben de overname van [XX] Papiercentrale, en deze uren vermenigvuldigd met het aan [XX] in rekening gebrachte uurtarief (excl. BTW). Hiermee heeft [XX] deze schadepost voldoende onderbouwd.
Lindans betwist op zichzelf niet dat [XX] advieskosten heeft gemaakt. Zij heeft slechts aangevoerd dat niet duidelijk is of de bedragen in- of exclusief BTW zijn en dat de facturen van de accountant voor een groot deel zien op andere werkzaamheden. Uit het overzicht en de overgelegde facturen blijkt echter dat het bedragen exclusief BTW betreft en dat de facturen van de accountant juist niet volledig in de berekening zijn betrokken, maar slechts voor het deel dat volgens [XX] betrekking heeft op de overname. Lindans heeft niet toegelicht waarom het deel dat in de berekening is betrokken, volgens haar geen betrekking heeft op de overname. Dit had gezien de gedetailleerde onderbouwing van [XX] , wel op haar weg gelegen.
Dit alles maakt dat het hof van oordeel is dat [XX] dit onderdeel van de door haar gestelde schade voldoende heeft onderbouwd.
3.7.8.
[XX] heeft voorts gesteld dat zij kosten heeft gemaakt in verband met bodemonderzoek van € 3.212,08. Ter onderbouwing hiervan heeft zij drie facturen overgelegd ad € 661,08, € 137,- en € 2.414,-.
Lindans heeft aangevoerd dat zij het gevorderde bedrag niet kan plaatsen omdat zij een factuur van € 2.414,- heeft ontvangen die door partijen bij helfte zou worden betaald.
Het hof begrijpt de stellingen van [XX] aldus dat zij drie facturen van in totaal € 3.212,08 excl. BTW heeft ontvangen en betaald. Lindans stelt niet dat zij de factuur van € 2.414,- voor de helft heeft betaald – zij volstaat met de verwijzing naar de afspraak van partijen hieromtrent. Uit het feit dat Lindans de andere twee facturen niet heeft ontvangen, volgt niet dat [XX] deze kosten niet heeft gemaakt. De betreffende facturen zijn immers aan haar gericht en zien op het bodemonderzoek.
Dit alles maakt dat het hof van oordeel is dat [XX] ook dit onderdeel van de door haar gestelde schade voldoende heeft onderbouwd.
3.7.9.
[XX] heeft ten slotte gesteld dat zij interne kosten heeft gemaakt ad € 12.092,75. Deze kosten betreffen de uren die een door [XX] ingeleende medewerker van Papiercentrale [XX] aan de overname heeft besteed. Ter onderbouwing hiervan heeft [XX] de salarisstroken van deze medewerker overgelegd en een gedetailleerd overzicht van de tijdsbesteding. Door Lindans wordt niet betwist dat [XX] deze kosten heeft gemaakt. Lindans volstaat met de opmerking dat een deugdelijke specificatie ontbreekt. Het hof constateert echter dat er wel een gedetailleerde specificatie van de door deze medewerker aan de overname bestede uren is overgelegd.
Dit alles maakt dat [XX] ook dit onderdeel van de door haar gestelde schade voldoende heeft onderbouwd.
3.7.10.
Het hof begroot de schade van [XX] dan ook op (€ 42.982,25 + € 3.212,08 + € 12.092,75) € 65.287,08
Heeft [XX] recht op de contractuele boete van artikel 9 koopovereenkomst Pro onroerend goed?
3.8.1.
De rechtbank heeft in rov. 4.32. – 4.34. de vordering van [XX] tot betaling van de contractuele boete van artikel 9 van Pro de koopovereenkomst onroerend goed afgewezen. Tegen dit oordeel richt zich grief 2 in het principale hoger beroep.
3.8.2.
[XX] beroept zich in de eerste plaats op artikel 9 lid 2 van Pro de koopovereenkomst onroerend goed. Hierin is bepaald dat bij ontbinding van de overeenkomst op grond van een toerekenbare tekortkoming, de nalatige partij een boete van 10% van de koopsom is verschuldigd. [XX] beroept zich voorts, voor het geval haar beroep op lid 2 niet opgaat, op lid 3 van dit artikel. Hierin is bepaald dat indien geen gebruik wordt gemaakt van het recht op ontbinding en nakoming wordt verlangd, de nalatige partij een boete is verschuldigd voor iedere verstreken dag vanaf de in lid 1 bedoelde hersteltermijn van acht dagen tot aan de dag van nakoming.
Lindans betwist dat artikel 9 van Pro de koopovereenkomst onroerend goed van toepassing is en stelt dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen het toekennen van de contractuele boete.
3.8.3.
Het hof stelt voorop dat artikel 9 van Pro de koopovereenkomst onroerend goed een standaardbepaling is die wordt gebruikt in de model-koopovereenkomst van de NVM. Lid 1 bepaalt dat de wederpartij van een nalatige partij het recht heeft de overeenkomst te ontbinden na het verstrijken van een hersteltermijn van acht dagen na in gebreke te zijn gesteld. Lid 2 bepaalt vervolgens dat de wederpartij in geval van ontbinding recht heeft op een boete van 10% van koopsom, terwijl lid 3 ziet op de situatie waarin de wederpartij geen gebruik maakt van zijn recht tot ontbinding en in plaats daarvan nakoming verlangt. In dat geval is nalatige partij een boete verschuldigd over de periode vanaf het verstrijken van de hersteltermijn tot aan de dag dat wordt nagekomen dan wel de wederpartij de overeenkomst alsnog ontbindt met een maximum van 10% van de koopsom.
3.8.4.
Voorts is van belang dat in de koopovereenkomst aandelen is bepaald dat ontbinding is uitgesloten, dat partijen het erover eens zijn dat sprake is van een package deal in die zin dat beide overeenkomsten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en dat het ontbindingsverbod dus ook geldt voor de koopovereenkomst onroerend goed. [XX] heeft de koopovereenkomst onroerend goed ook niet ontbonden, maar de verbintenis van Lindans tot betaling van de op grond van beide overeenkomsten verschuldigde koopsommen omgezet in verbintenissen tot vervangende schadevergoeding.
3.8.5.
Het hof stelt vast dat de letterlijke tekst van artikel 9 geen Pro aanknopingspunten biedt voor het standpunt van [XX] dat in deze situatie de boete van lid 2 of lid 3 is verschuldigd. De overeenkomst is immers niet ontbonden, en ook de situatie waarin een ingebrekestelling wordt gevolgd door nakoming doet zich niet voor. [XX] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat het bedoeling was van partijen dat de in lid 2 en lid 3 geregelde boete ook verschuldigd zou zijn in de situatie waarin de wederpartij ( [XX] ) zich neerlegt bij niet-nakoming en haar vordering tot nakoming omzet in een vordering tot vervangende schadevergoeding, en dat Lindans dat ook zo heeft moeten begrijpen.
Van belang is ten slotte dat artikel 9 een Pro standaardbepaling is en dat vast staat dat partijen hierover niet hebben onderhandeld. Het feit dat sprake is van een package deal, maakt het niet voor de hand liggend dat partijen aan uitsluitend de niet-nakoming van de overeenkomst onroerend goed een boete hebben willen verbinden.
3.8.4.
Dit alles maakt dat [XX] haar stelling dat Lindans de contractuele boete van artikel 9 is Pro verschuldigd, onvoldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Dit betekent dat de rechtbank de vordering van [XX] tot betaling van de contractuele boete terecht heeft afgewezen en dat grief 2 in het principale hoger beroep dus niet slaagt.
Slotsom
3.9.1.
Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis in conventie zal vernietigen en in reconventie zal bekrachtigen en de door [XX] gevorderde schadevergoeding zal toewijzen tot een bedrag van (€ 42.982,25 + € 3.212,08 + € 12.092,75) € 65.287,08.
De vordering tot toewijzing van de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW is niet toewijsbaar, nu niet is voldaan aan de daarvoor geldende eisen. De wettelijke handelsrente is immers slechts verschuldigd over de vertraagde betaling van de primaire betalingsverplichting op grond van een handelsovereenkomst en niet over andere uit de handelsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, zoals schadevergoeding wegens een tekortkoming in de nakoming. In plaats daarvan zal het hof de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro toewijzen. Hoewel [XX] vanaf 25 oktober 2021 in verzuim is, zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf 9 november 2021, de datum waarop de koopovereenkomsten zouden worden getekend en de koopprijs door Lindans moest worden betaald.
3.9.2.
[XX] vordert betaling van buitengerechtelijke incassokosten. In de inleidende dagvaarding heeft zij deze begroot op € 3.078,94. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het hof stelt vast dat [XX] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. Het hof zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief ad € 1.427,87. [XX] heeft geen wettelijke rente gevorderd over de buitengerechtelijke incassokosten.
3.9.3.
[XX] vordert Lindans te veroordelen in de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. [XX] heeft bij dagvaarding de beslagstukken en de factuur van de deurwaarder overgelegd en op basis daarvan gesteld dat beslagkosten tot en met de datum van betekening van de dagvaarding zijn begroot op € 1.738,56. Tegen dit bedrag is geen verweer gevoerd. Het hof zal de beslagkosten dan ook toewijzen tot het gevorderde bedrag. De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.9.4.
Het hof zal Lindans als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg in conventie, het principale hoger beroep en het incidentele hoger beroep. Het hof zal Lindans voorts veroordelen tot terugbetaling van de door [XX] in eerste aanleg betaalde proceskosten van € 10.429,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2024.
3.9.5.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg in conventie aan de zijde van [XX] zullen worden vastgesteld op
- Explootkosten € 108,41
- Griffierecht € 5.061,-
- Salaris advocaat € 2.580,- (2 punten x tarief IV)
Totaal € 7.749,41
De kosten voor de procedure in het principale hoger beroep aan de zijde van [XX] zullen worden vastgesteld op:
- Explootkosten € 112,37
- Griffierecht € 6.651,-
- Salaris advocaat € 4.704,- (2 punten x tarief IV)
- Nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 11.656,37
De kosten voor de procedure in het incidentele hoger beroep aan de zijde van [XX] zullen worden vastgesteld op (0,5 x 1 punt x tarief IV) € 1.176,-.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis in reconventie;
vernietigt het bestreden vonnis in conventie, en, opnieuw rechtdoende,
veroordeelt Lindans tot betaling aan [XX] van € 65.287,08, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 november 2021 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt Lindans tot betaling aan [XX] van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.427,87;
veroordeelt Lindans tot betaling aan [XX] van beslagkosten van € 1.738,56, te vermeerderen met de wettelijke rente indien dit bedrag niet binnen veertien na heden is voldaan;
veroordeelt Lindans tot betaling van de door [XX] in eerste aanleg betaalde proceskosten van € 10.429,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2024
tot aan de dag van terugbetaling;
veroordeelt Lindans in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie van € 7.749,41, van het principale hoger beroep van € 11.656,37 en van het incidentele hoger beroep van € 1.176,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als Lindans niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet Lindans € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt Lindans in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
wijst af het meer of anders gevorderde;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, P.W.A. van Geloven en G.A.J. Boekraad en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 maart 2026.
griffier rolraadsheer