Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:816

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
20-001617-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 312 SrArt. 359 SvArt. 4 Penitentiaire beginselenwetArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in zaak diefstal met geweld in Bergen op Zoom

Op 10 augustus 2024 heeft verdachte te Bergen op Zoom twee tassen van het slachtoffer weggenomen met gebruik van geweld en bedreiging, waaronder het tonen van een mes en een schaar en het slaan en schoppen van het slachtoffer. De politierechter veroordeelde verdachte tot 8 maanden gevangenisstraf, tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in.

Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter wegens onvoldoende motivering en verklaart het tenlastegelegde bewezen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal met geweld heeft gepleegd zoals omschreven, maar spreekt verdachte vrij van overige tenlasteleggingen.

De verdediging voerde aan dat verdachte niet had geslagen of geschopt en dat hij de tas alleen terughaalde, maar het hof acht de verklaringen van het slachtoffer en getuigen betrouwbaarder. Gelet op de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en persoonlijke omstandigheden van verdachte, legt het hof een gevangenisstraf van 6 maanden op, waarbij rekening is gehouden met de voorlopige hechtenis en de wens van verdachte om zijn leven te beteren.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf voor diefstal met geweld.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001617-25
Uitspraak : 23 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-068852-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. [P.I.] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Het hof begrijpt dat de verdachte zich (primair) op het standpunt stelt dat hij van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken en dat (subsidiair) een strafmaatverweer is gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te Bergen op Zoom, althans in Nederland, twee tassen met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het/deze zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- (aan) voornoemde [slachtoffer] te trekken en/of
- een mes en/of schaar te tonen en/of met dit mes en/of die schaar het koord van de tas(sen) door te snijden en/of te knippen en/of
- die [slachtoffer] te slaan en/of te schoppen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 10 augustus 2024 te Bergen op Zoom twee tassen die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door
- aan voornoemde [slachtoffer] te trekken en/of
- een mes en schaar te tonen en/of met dit mes of die schaar het koord van de tas(sen) door te snijden of te knippen en/of
- die [slachtoffer] te slaan en te schoppen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen [1]
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 augustus 2024 (p. 7-9), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :
Ik doe aangifte van diefstal door middel van geweld. Niemand had het recht of de toestemming hiertoe. Op 10 augustus (
het hof begrijpt: 10 augustus2024) sliep ik in een auto, dit is een Citroën C2. De auto stond geparkeerd aan [adres] . Omstreeks 05.55 uur was ik wakker. Ik zat in de auto. Ik zag dat [getuige 1] aan kwam met de fiets. Ik zag dat er een crossmotor aan kwam rijden. Ik zag dat de persoon op de crossmotor [verdachte] was, dit is zijn bijnaam. Ik zag dat [verdachte] naast mij stopte. Ik zag dat [verdachte] afstapte en mijn portier opentrok. Ik zag dat hij mijn tasjes vastpakte welke ik om mijn nek had hangen. Ik voelde dat hij hieraan trok. Ik zag dat hij een mes uit zijn broeksrand pakte. Ik zag dat hij hiermee probeerde het koort waarmee mijn tasjes vastzaten door te snijden. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterhand uithaalde en mij tegen mijn hoofd sloeg. Ik voelde dat zijn vuist mij raakte tegen mijn linker voorhoofd. Ik voelde dat dit pijn deed. Ik zag dat [verdachte] een schaar pakte en het koord van mijn tasjes doorknipte. Ik zag dat hij op zijn motor stapte met de twee tasjes. Ik zag dat [getuige 1] bij hem achterop stapte. Hierna kwam de politie ter plaatse. Ik zag dat toen de politie er was [getuige 1] aankwam. Ik zag dat zij mij 1 tas teruggaf.
2.
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 augustus 2024 (p. 10-11), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige 2] :
[slachtoffer] (
het hof begrijpt hier en hierna: aangever [slachtoffer]), een vriend van mij, zat in zijn auto. Die auto stond op [adres] geparkeerd. Ik zag dat [verdachte] hier stond, dat is de lange jongen met zijn crossmotor. Ik weet zijn echte naam
niet. [verdachte] stond met een schaar te zwaaien naar [slachtoffer] . Hij gooide die schaar weg en hij pakte later een mes. [verdachte] knipte de heuptas en de rugzak van [slachtoffer] af en nam die mee. [verdachte] reed weg op een crossmotor met haar (
het hof begrijpt: [getuige 1] )achterop.
3.
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 augustus 2024 (p. 12-14), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige 1] :
Op 10 augustus (
het hof begrijpt: 10 augustus 2024) rond half 6 in de ochtend belde [slachtoffer] mij. [slachtoffer] vroeg mij om te komen naar [adres] . Hier stond hij geparkeerd in een citroen C2. Ik ben hier toen heen gefietst en bij hem ingestapt. Plotseling zag ik in de achteruitkijkspiegel een motor aan komen rijden. Ik wist dat [verdachte] hier op zat. Ik zei tegen [slachtoffer] dat hij niet moest opendoen en weg moest rijden. Maar voordat [slachtoffer] het doorhad, deed [verdachte] de deur al open en konden wij hem niet meer dicht doen. [verdachte] liet een telefoon zien en iets gouds, een zippo doosje. Die pakte [slachtoffer] aan waarop [verdachte] plotseling een mes pakte en ik denk dat hij probeerde om de gordel die [slachtoffer] aan had door te snijden. [verdachte] trok [slachtoffer] uit de auto en begon hem te schoppen. Ik zag [slachtoffer] toen vallen. Ik zag dat [verdachte] het heuptasje van [slachtoffer] had afgepakt en hierop probeerde weg te rijden. Ik pakte het heuptasje vast en probeerde dat terug te pakken. Om die tas terug te krijgen ben ik vervolgens bij [verdachte] achterop gesprongen. [verdachte] is toen richting de Rijtuigweg-Zuid gereden, ik heb de tas afgepakt en ben toen van de motor afgevallen. Hierop ben ik teruggerend naar [slachtoffer] om zijn spullen terug te brengen. [verdachte] ken ik ook wel als [verdachte] .
Notitie verbalisant: ik liet een skdb foto van [verdachte] zien. Ik zag
dat aangever (
het hof begrijpt -mede gelet op hetgeen door verbalisant [verbalisant 1] in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2024 (bewijsmiddel 6) wordt gerelateerd: de getuige) bevestigde dat [verdachte] dezelfde persoon betrof als de skdb foto van [verdachte] .
4.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 november 2024 (p. 21-23), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 2 november 2024 was ik, verbalisant [verbalisant 1] , belast met het beschrijven van de camerabeelden die horen bij deze zaak.
Ik zag dat er een voertuig stond geparkeerd voor [adres] . Ik zag dat dit voertuig een kleine personenauto was. Ik zag dat het portier openging en dat de persoon 1 (
het hof begrijpt: [getuige 1] )om 05.45.05 uur
in het voertuig stapte. Ik zag dat het voertuig bleef staan en dat er om 05.46.04 uur
een persoon (persoon 2) (
het hof begrijpt: de verdachte) op een crossmotor langsfietste. Ik zag dat deze persoon 2 stopte bij de personenauto aan de bestuurderszijde. Ik zag dat deze persoon 2 van de crossmotor afstapte. Ik zag dat er ineens een zwarte tas bij de voeten van persoon 2 op de grond lag. Ik zag dat om 05.48.20 uur persoon 2 de bestuurder (persoon 4) (
het hof begrijpt: aangever [slachtoffer]) van de kleine personenauto naar buiten trok. Ik zag dat persoon 4 iets vasthad en dat persoon 2 dit aan de andere zijde vasthad. Ik zag dat persoon 2 en persoon 4 beiden aan dit voorwerp trokken en dat zij over de straat heen en weer bewogen. Ik zag dat dit er hard aan toeging en dat vooral persoon 2 het voorwerp probeerde los te trekken en dat persoon 4 dit probeerde vast te houden. Ik zag dat persoon 4 in zijn gezicht werd geslagen door de linkerhand van persoon 2. Ik zag dat ondertussen persoon 1 via de bestuurderskant van de kleine zwarte personenauto ook uit was gestapt en stond bij persoon 2 en persoon 4 die nog steeds aan het voorwerp aan het trekken waren. Ik zag dat persoon 2 persoon 4 een schop gaf. Ik zag dat persoon 2 nog een keer een dreigende beweging maakte richting persoon 4. Ik zag toen dat persoon 2 op zijn crossmotor stapte en dat persoon 1 bij hem achterop ging zitten. Ik zag dat de crossmotor met persoon 1 en 2 weg reed.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 augustus 2024 (p. 24-26), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op 10 augustus 2024 waren wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , belast met de incidentenafhandeling in Bergen op Zoom. Om 05.58 uur kwamen wij ter plaatse aan [adres] . Wij zagen een man, welke later [slachtoffer] bleek te zijn. Wij hoorden [slachtoffer] zeggen dat hij beroofd was door [verdachte] die hem had bedreigd met een mes en een schaar en hem had geslagen. Terwijl wij bij het slachtoffer stonden, kwam de voor ons ambtshalve bekende [getuige 1] aan. Zij had een tas bij zich waarvan zij zei dat deze van [slachtoffer] was en gaf deze aan hem. Wij hoorden haar zeggen dat ze achter op de motor van [verdachte] was gesprongen om de spullen van [slachtoffer] terug te krijgen. Ik zag een schaar liggen welke mogelijk door de verdachte gebruikt was.
6.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 november 2024 (p. 27-28), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
In deze zaak kwam meerdere keren de naam ' [verdachte] ' naar voren. In de getuigenverklaring van [getuige 1] wordt ook gesproken dat ' [verdachte] ' ook de bijnaam ' [verdachte] ' zou hebben. Toen er aan [getuige 1] een foto werd getoond van [verdachte] geboren op [geboortedag] 1994, zei ze dat dat ' [verdachte] '/ ' [verdachte] ' was. Daarnaast was het mij ambtshalve bekend dat ' [verdachte] ' en ' [verdachte] ' bijnamen zijn voor [verdachte] . Hij is een bekende van de politie en ik en andere collega's komen hem regelmatig tegen tijdens ons werk op straat. Door bovenstaande informatie merk ik [verdachte] aan als verdachte van deze straatroof.
7.
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 9 februari 2026, voor zover inhoudende:
Sommige mensen noemen mij [verdachte] .
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] niet heeft geslagen of geschopt en dat hij geen mes heeft getoond. [slachtoffer] had de tas van de verdachte met daarin zijn paspoort en zijn drugs en de verdachte is die tas gaan terughalen. Hij heeft met kracht aan de tas getrokken en deze gepakt en is vervolgens met één tas weggegaan, aldus de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Op basis van de inhoud van de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangever [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt, alsmede dat hij een mes en ook een schaar heeft getoond en daarmee het koord van de tas(sen) heeft doorgesneden of doorgeknipt. Voorts stelt het hof op basis van de aangifte van [slachtoffer] en de getuigenverklaring van [getuige 2] vast dat – anders dan de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard – hij twee tassen heeft weggenomen. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid en juistheid van die verklaringen zou moeten worden getwijfeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof aan de verdachte een lagere straf zal opleggen dan door de politierechter aan hem is opgelegd. In dit verband heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte inmiddels meer dan zeven maanden in voorlopige hechtenis verblijft en dat de verdachte is afgekickt van zijn drugsverslaving. Hij wil een nieuwe kans. De verdachte wenst na zijn detentie een nieuw leven op te bouwen. Hij heeft een vader van 81 jaar oud, die hulpbehoevend is, en de verdachte wenst zijn vader graag spoedig bij te staan. Voorts dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Bij het bepalen van de op te leggen sanctie heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 10 augustus 2024 schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld. De verdachte heeft met zijn handelen op een ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Zo heeft de verdachte niet alleen aan het slachtoffer getrokken, maar heeft hij hem ook geslagen en geschopt.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 december 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan het bewezenverklaarde. Voorts blijkt uit voornoemd uittreksel dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht toepassing vindt.
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. W.P.A. Korver, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,
en op 23 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. W.P.A. Korver is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, teamrecherche Bergen op Zoom, registratienummer PL2000-2024201981, gesloten d.d. 21 december 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , brigadier bij de politie eenheid Zeeland-West-Brabant (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 37). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.