ECLI:NL:GHSHE:2026:798

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
000006-26
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 71 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen bevel tot gevangenhouding wegens poging doodslag

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 5 februari 2026 het hoger beroep behandeld tegen het bevel tot gevangenhouding van verdachte, die wordt verdacht van poging tot doodslag, zware mishandeling en poging tot zware mishandeling. Het hof constateerde dat de behandeling van het hoger beroep niet voorspoedig was verlopen, maar besloot na belangenafweging dat dit niet tot een andere uitkomst leidt.

Het hof baseerde zich op het dossier, waaronder proces-verbaal van aangifte, verklaringen van getuigen en camerabeelden, en concludeerde dat de ernstige bezwaren tegen verdachte onverminderd van kracht zijn. De verdachte gaf een andere lezing, maar dit leidde niet tot een ander oordeel.

Gezien de ernst van het strafbare feit, de wettelijke strafdreiging van twaalf jaar of meer, en het risico op maatschappelijke onrust bij invrijheidstelling, acht het hof voorlopige hechtenis noodzakelijk. Daarnaast is er acuut gevaar voor herhaling, mede gelet op eerdere voorwaardelijke veroordelingen en het feit dat verdachte opnieuw in aanraking is gekomen met justitie.

Het hof bevestigde daarom de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 december 2025 en wees het hoger beroep af. De beslissing werd genomen door mr. O.M.J.J. van de Loo, mr. F. van Es en mr. J. Nederlof.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt het bevel tot gevangenhouding wegens ernstige bezwaren en acuut gevaar voor herhaling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Raadkamerappelnummer: AVNR. 000006-26
Parketnummer 1e aanleg: 01-327848-25
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch van 22 december 2025, waarbij namens:

[naam verdachte]

geboren [datum] 1990 te [plaats]
wonende te [adres]
thans verblijvende in de P.I. [plaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie
's-Hertogenbosch van 17 december 2025, bij welke beschikking de gevangenhouding van [verdachte] werd bevolen.
Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L. Rijsdam.
Namens verdachte is tegen het bevel tot gevangenhouding op 22 december 2025 hoger beroep ingesteld. De behandeling van het beroep vindt plaats op 5 februari 2026. Dit is niet een behandeling die kan worden beschouwd als te zijn voorspoedig in de zin van
artikel 71, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de aard en de ernst van hetgeen verdachte wordt verweten en de mate van overschrijding van de termijn zal het hof na afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen volstaan met de vaststelling dat de behandeling van het hoger beroep eerder had dienen plaats te vinden.
Het hof heeft kennisgenomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt dat verdachte -kort verwoord- wordt verweten poging tot doodslag (primair), zware mishandeling (subsidiair), poging tot zware mishandeling (meer subsidiair).
Tijdens het onderzoek in raadkamer en uit het procesdossier is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof tot de slotsom is gekomen dat het dossier voldoende ernstige bezwaren bevat jegens verdachte ter zake hetgeen hem wordt verweten. Het hof heeft aan de hand van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting in raadkamer zich ervan vergewist dat de ernstige bezwaren zoals destijds aangenomen, nog onverkort van kracht zijn. In dit verband heeft het hof acht geslagen op het proces-verbaal van aangifte (pag. 7 e.v. van het voorgeleidingsproces-verbaal van politie), de aanvullende verklaring van de aangever (pag. 10 e.v. van het voorgeleidingsproces-verbaal van politie), de verklaring van de getuige Pullens (pag. 22 e.v. van het voorgeleidingsproces-verbaal van politie),
het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de camerabeelden (pag. 48 e.v. van het voorgeleidingsproces-verbaal van politie) alsmede de waarnemingen van de rechter-commissaris met betrekking tot de camerabeelden. Dat de verdachte een andere lezing heeft van de situatie brengt het hof thans niet tot een ander oordeel.
Hetgeen verdachte wordt verweten, namelijk de poging tot doodslag, is een strafbaar feit waar naar de wettelijke omschrijving 12 jaar of meer gevangenisstraf op staat en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt.
Het zou voor de samenleving niet te begrijpen zijn en het zou door die samenleving ook niet worden geaccepteerd wanneer degene ten aanzien van wie voormelde ernstige bezwaren bestaan niet onverwijld in voorarrest zou worden genomen en voorlopig gehouden.
In dit licht is het hof van oordeel dat een eventuele invrijheidstelling van de verdachte zou kunnen leiden tot maatschappelijke onrust. Hoewel er niet noodzakelijkerwijs sprake hoeft te zijn van directe onrust, is de kans op dergelijke gevolgen voldoende aanwezig.
Voorts is het hof van oordeel dat er sprake is van acuut gevaar voor herhaling.
Het hof heeft in kader acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit het justitiële documentatieregister, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het aan hem verweten strafbare feit in twee verschillende proeftijden liep van verschillende voorwaardelijke veroordelingen. Deze proeftijden hebben kennelijk niet geleid tot de beoogde gedragsverandering, aangezien verdachte, wederom in aanraking is gekomen met politie en justitie. Deze herhaling roept fundamentele zorgen op, waarvan het vermoeden bestaat dat verdachte, bij een eventuele invrijheidstelling, nogmaals in contact zal komen met politie en justitie.
Alles overwegende wijst het hof het hoger beroep af.

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Wijst af het hoger beroep.
Bevestigt de beschikking waarvan beroep.
Aldus gedaan op 5 februari 2026
door mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter, mr. F. van Es en mr. J. Nederlof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K.K. Boudih en B. Yazi, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
's-Hertogenbosch, 5 februari 2026
Gezien d.d.
De directeur van P.I. [plaats]