ECLI:NL:GHSHE:2026:795
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- L.G.J.M. van Ekert
- T. van de Woestijne
- C.C.H.T. Coert
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding termijn na elektronische betekening
De verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 en kreeg een gevangenisstraf van 4 weken, waarvan 2 voorwaardelijk, en een rijontzegging van 8 maanden opgelegd. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, maar niet binnen de wettelijke termijn van 14 dagen na de uitspraak, doch pas na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving op 1 oktober 2025.
De kern van het geschil betrof de ontvankelijkheid van het hoger beroep. De dagvaarding was elektronisch betekend via de Berichtenbox van MijnOverheid op 18 juni 2025, waarbij op 30 juni 2025 om 09:40 uur door middel van tweefactorauthenticatie was ingelogd. De verdediging stelde dat de verdachte toen in coma lag in een Spaans ziekenhuis en dus niet zelf kon inloggen, wat de ontvankelijkheid zou rechtvaardigen.
Het hof oordeelde echter dat de verdachte zich toegang tot de elektronische voorziening had verschaft, aangezien de DigiD persoonsgebonden is en geen bewijs was geleverd dat een derde had ingelogd. De overgelegde medische stukken boden geen objectieve bevestiging van coma, en een foto toonde de verdachte bij bewustzijn. Hierdoor gold de elektronische betekening als persoonlijke betekening, en was het hoger beroep te laat ingesteld.
Het hof concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden waren die de termijnoverschrijding verontschuldigden en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn na elektronische betekening.