Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:791

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
20-001929-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 285 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging met zware mishandeling door inrijden op politieagent

Op 15 augustus 2022 bedreigde de verdachte een politieagent met zware mishandeling door met een personenauto in te rijden op de agent tijdens een incident in Eindhoven. De verdachte was boos en gedroeg zich agressief nadat zijn zoon werd aangehouden in aanwezigheid van zijn kleindochter.

De politieagent moest letterlijk aan de kant springen om een botsing te voorkomen. Het hof achtte het bewezen dat de verdachte met opzet, althans voorwaardelijk, de bedreiging heeft veroorzaakt. De verdediging voerde aan dat er sprake was van een defect aan de versnellingsbak en dat de waarnemingen van de agenten door de stress waren vertroebeld, maar het hof verwierp deze argumenten.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter wegens onvoldoende motivering en deed opnieuw recht. Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoon van de verdachte, legde het hof een taakstraf van 90 uur op, te vervangen door 45 dagen hechtenis bij niet-nakoming. De redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden, maar dit leidde niet tot strafvermindering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 90 uur wegens bedreiging met zware mishandeling door met een auto op een politieagent in te rijden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001929-25
Uitspraak : 12 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 27 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-301058-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1956,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis, waarvan beroep, is verdachte door de politierechter ter zake van het plegen van
‘bedreiging met zware mishandeling’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.
Door de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is bepleit om een taakstraf voor de duur van 80 uren op te leggen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 15 augustus 2022 te Eindhoven [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een personenauto in te rijden op, althans (met hoge snelheid) op te trekken in de richting van, die [slachtoffer] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal-en of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 15 augustus 2022 te Eindhoven [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door met een personenauto in te rijden op, althans (met hoge snelheid) op te trekken in de richting van, die [slachtoffer] .
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen [1]
1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2022 (p. 4-5), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [slachtoffer] :
Op 15 augustus 2022 was ik samen met collega [verbalisant 1] belast met de noodhulp in Eindhoven. Wij waren gekleed in opvallend politie-uniform en reden in een opvallend dienstvoertuig.
Omstreeks 19:50 uur hoorde ik via de portofoon dat de eenheid 25.02 achter een voertuig reed met vermoedelijk ongeldige kentekenplaten, een spookvoertuig, en dat de bestuurder, de later te noemen verdachte
- [medeverdachte] van [geboortedag 2] 1988,
hun stopteken negeerde.
Wij reden over de Aalsterweg en ik hoorde dat ze ter hoogte waren van het verkeerslicht op de kruising Piuslaan met de Aalsterweg. Op het moment dat wij de kruising naderden zag ik het genoemde voertuig staan en zag ik dat de collega's van de 25.02 schuin naast het voertuig stonden.
Ik zag dat collega's de bestuurder uit het voertuig probeerden te halen. Ik zag dat achter in het voertuig een klein meisje zat die aan het huilen was. Gezien de situatie omtrent de bestuurder heb ik het achterportier opengemaakt en heb me bekommerd om dit meisje.
Op het moment dat ik in gesprek was met het meisje hoorde ik een voertuig hard remmen en ik zag een grote man, de later te noemen verdachte
- [verdachte] van [geboortedag 1] 1956,
uit het voertuig komen en naar mij toe rennen. Ik hoorde de man zeggen dat wij normaal moesten doen. Op dat moment kwam de man zo dreigend op mij af dat ik ben opgestaan en de man met een harde duw op de borst heb tegengehouden. Collega [verbalisant 2] zag dit gebeuren en kwam erbij staan. De man bleef proberen om door te breken waardoor ik genoodzaakt was om geweld tegen de man te gebruiken. Ik hoorde de man zeggen dat hij voor zijn kleindochter kwam en dat hij die wilde meenemen. Ik heb het meisje uit de auto gehaald en aan de man meegegeven. Ik ben met de man en het meisje meegelopen naar zijn voertuig. Onderweg verhitte de discussie tussen mij en de man. De man kwam erg dreigend en agressief op mij over. Nadat de man weer in zijn voertuig was gestapt, zei ik dat hij zijn voertuig aan de kant moest neerzetten omdat hij het doorgaande verkeer ernstig hinderde. Ik stond op dat moment ongeveer 5-10 meter van het voertuig af. Ik hoorde dat de motor van het voertuig accelereerde en ik zag dat de man, die achter het stuur zat, mij aankeek en hard op mij kwam ingereden. Ik zag dat de man bijstuurde. Ik moest letterlijk aan de kant springen om een botsing te voorkomen. Als ik niet aan de kant was gesprongen was ik zeker geraakt door de voorkant van het voertuig. Ik voelde me hierdoor ernstig bedreigd.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2022 (p. 6-8), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [slachtoffer] :
Op 15 augustus (
het hof begrijpt: 15 augustus 2022) was ik naar aanleiding van een aanhouding na een achtervolging een klein meisje aan het afleiden zodat zij dit niet zou zien. Dit kleine meisje zat achterin het voertuig van de aangehouden verdachte
(het hof begrijpt: de zoon van de verdachte).
Aangezien de collega's nog bezig waren met de aanhouding van haar vader leek het mij beter dat het kleine meisje weg zou gaan van deze situatie. Ik heb toen het kleine meisje uit het voertuig gehaald en aan haar opa
(het hof begrijpt: de verdachte)meegegeven. Echter reageerde de man zo heftig dat ik mijn vraagtekens zette bij deze beslissing. Ik heb de man vastgepakt en gezegd dat hij niet zo gek moest doen. Door deze woorden werd de man nog bozer. Ik hoorde de man tegen mij schreeuwen: "Noem jij mij nou gek!!!"Ik zag dat de ogen van de man wagenwijd openstonden en dat zijn gezicht rood kleurde van woede. Ik heb tegen de man gezegd dat als hij niet rustiger zou worden hij zijn kleinkind niet mee zou krijgen.
Ik zag dat de man en zijn kleindochter in het voertuig zaten. Ik zag dat de rondweg dicht aan het stroppen was door dit incident. Mijn gevoel omtrent het kleine meisje zat me niet lekker. Ik riep naar de man (
het hof begrijpt: de verdachte) dat hij zijn voertuig achter het politievoertuig moest zetten om de weg vrij te maken. Ik wees met mijn hand naar de plek waar hij zijn voertuig neer moest zetten. Ik zal een situatieschets toevoegen ter verduidelijking van de situatie. Ik hoorde dat de man zijn voertuig startte. Ik hoorde dat de motor van het voertuig hoog in zijn toeren kwam. Hierop keek ik de man aan in zijn ogen. Ik zag dat de man mij aankeek. Ik hoorde dat de motor van het voertuig nog hoger in zijn toerental kwam. Ik zag dat het voertuig met verhoogde snelheid mijn kant op kwam. Ik zag dat het voertuig niet in een rechte lijn reed. Ik zag dat de neus van het voertuig mijn kant in draaide. Ik zag dat het voertuig steeds dichterbij kwam en harder reed. Ik moest aan de kant springen om het voertuig te ontwijken. Ik zag dat het voertuig over de plek heen reed waar ik had gestaan. Nadat het voertuig over de plek was gereden waar ik stond zag ik dat het voertuig afboog. Hierna kwam het voertuig op de aangewezen plek tot stilstand.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2022 (p. 9-10), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant 1] :
Op 15 augustus 2022 was ik, verbalisant [verbalisant 1] , belast met de directe noodhulpverlening in Eindhoven. Ik hoorde dat collega [slachtoffer] tegen de man (
het hof begrijpt: de verdachte) zei dat de man zijn voertuig moest parkeren aan de zijkant van de weg. De man ging weer in het voertuig zitten. Ik hoorde dat het toerental van het voertuig verhoogde. Ik zag dat het voertuig begon te rijden in een andere richting dan wat collega [slachtoffer] had gezegd. Ik zag dat de man in de richting van collega [slachtoffer] reed. Ik zag dat collega [slachtoffer] aan de kant moest springen voor het voertuig.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 oktober 2022, zoals opgenomen in het ‘Aanvullend procesdossier - van bevindingen d.d. 21-10-2022’, voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant 1] :
Op 15 augustus 2022 was ik doende met een melding op de kruising van de Piuslaan met de Aalsterweg te Eindhoven. Bij deze melding zag ik dat er met een voertuig werd ingereden op mijn collega [slachtoffer] .
5.
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 16 augustus 2022 (p. 21-25), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de verdachte:
V: vraag verbalisant
A: antwoord verdachte
V: Waar word je boos van? Hoe kan ik merken dat wanneer je boos bent?
A: Ik word niet boos behalve als je aan mijn kleinkinderen komt. Dat hebben zij gisteren ook kunnen zien. (…) Ik wilde mijn kleindochter van zeven jaar daar weg hebben.
Ik zag dat de agent (
het hof begrijpt hier en hierna: verbalisant [slachtoffer]) hysterisch wegsprong.
V: Volgens de agent zou jij hem geraakt hebben als hij niet opzij had gesprongen?
A: Hij maakte inderdaad een rare sprong opzij.
6.
De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof, op 26 februari 2026, voor zover – en waar nodig zakelijk en samengevat weergegeven – inhoudende:
U houdt mij de door mij getekende situatieschets voor. Het klopt dat verbalisant [slachtoffer] , vanuit mijn positie gezien, rechts voor de door mij bestuurde Volkswagen Caddy stond en dat de verbalisant toen aangaf dat ik de auto aan de linkerkant van de weg moest parkeren.
U, advocaat-generaal, wijst mij op een foto, zoals opgenomen in het ‘Aanvullend procesdossier – Foto’s 13/03/2025’ op pagina 3 van dat aanvullende procesdossier. U vraagt mij of op deze foto mijn voertuig (Volkswagen Caddy) vóór het wegrijden te zien is. Het klopt dat dit de situatie voor het wegrijden betrof. De Volkswagen Caddy bevond zich toen op de middelste rijstrook.
7.
De eigen waarneming van het hof van de foto zoals opgenomen in het ‘Aanvullend procesdossier – Foto’s 13/03/2025’ d.d. 13 maart, gedaan bij het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende:
Het hof neemt op foto 2 (pagina 3) een voertuig (
het hof begrijpt gelet op verdachtes verklaring ter terechtzitting in hoger beroep: de door verdachte bestuurde Volkswagen Caddy) waar, waarvan de wielen recht vooruit staan.
8.
De eigen waarneming van het hof ten aanzien van de door verbalisant [slachtoffer] gemaakte situatieschets zoals opgenomen op pagina 8 van het politiedossier
Het hof neemt op de situatieschets waar dat verbalisant [slachtoffer] heeft getekend dat het voertuig van de verdachte eerst een stuurbeweging naar rechts, in de richting van de verbalisant, heeft gemaakt en vervolgens naar links, waarna de auto van de verdachte op de door de verbalisant aangewezen plek ‘x’ tot stilstand is gekomen.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat er geen bewezenverklaring kan volgen. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat, ondanks dat de verdediging ziet dat er aan de bewijsminima wordt voldaan, de verdediging zich niet kan verenigen met hetgeen de verbalisanten hebben geverbaliseerd. De situatie op het plaats delict bracht namelijk veel spanning met zich mee, waardoor de waarnemingen van beide verbalisanten kunnen zijn vertroebeld. De verdachte wilde de Volkswagen Caddy slechts parkeren op de door verbalisant [slachtoffer] aangewezen plek. De versnellingsbak van de auto had echter een defect. Ook garagehouder [betrokkene] benoemt dit defect in de schriftelijke verklaring die door de verdediging is overgelegd. Het hoge toerental dat door de verbalisanten wordt beschreven en het vooruitspringen van de auto kan hieruit worden verklaard. De verdachte had echter geen opzet op bedreiging van de verbalisant. Door de adrenalinerush is de situatie verkeerd geïnterpreteerd door de verbalisanten. Verder volgt uit het dossier dat vier verbalisanten aanwezig waren, terwijl slechts twee van hen een proces-verbaal hebben opgemaakt. Deze processen-verbaal zijn bovendien pas twee uur later opgesteld. Het ligt voor de hand dat de betreffende verbalisanten voorafgaand aan het opmaken van hun processen-verbaal gezamenlijk in de auto hebben gezeten, waardoor onderlinge beïnvloeding in hun bevindingen kan zijn ontstaan, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door verbalisanten [slachtoffer] en [verbalisant 1] op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van bevindingen. De door de verdediging genoemde omstandigheden, wat daar ook verder van zij, maken dat oordeel niet anders.
Het hof neemt daarbij nog het volgende in aanmerking.
Zowel verbalisant [slachtoffer] als de verdachte hebben een situatieschets gemaakt. Hoewel de tekeningen niet helemaal overeenkomen, volgt daaruit – in samenhang met de ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting van de verdachte – wel dat verbalisant [slachtoffer] ten tijde van de tenlastegelegde gedraging rechts aan de voorzijde van het voertuig van de verdachte stond toen hij aan de verdachte de instructie gaf het voertuig aan de linkerzijde van de weg te parkeren. Ook volgt daaruit dat verdachtes voertuig op dat moment stil stond op de middelste rijstrook van de weg. Zoals hiervoor is overwogen, neemt het hof op de foto in het dossier waar dat de wielen van verdachtes auto recht gepositioneerd stonden toen de auto zich nog in stilstaande positie bevond. Voor het – overeenkomstig de instructie van verbalisant [slachtoffer] – verplaatsen van verdachtes auto naar de linkerzijde van de weg, bestond er geen enkele noodzaak om de auto eerst naar rechts te sturen. Toch nemen zowel verbalisant [slachtoffer] als verbalisant [verbalisant 1] die stuurbeweging naar rechts, in de richting van verbalisant [slachtoffer] , waar. Als gevolg hiervan is verbalisant [slachtoffer] weggesprongen. Dit wegspringen is ook door de verdachte zelf waargenomen.
Voor zover de verdediging naar voren heeft gebracht dat er problemen waren met de automatische versnellingsbak van verdachtes auto, ten gevolge waarvan de verbalisanten het gasgeven door verdachte anders/verkeerd zouden hebben geïnterpreteerd, overweegt het hof dat die problemen niet zijn ondervonden bij de uitgebreide rijproeven die door de politie na de gebeurtenissen met de auto zijn gedaan. [2] Het hof acht die problemen ten tijde van het tenlastegelegde daarom niet aannemelijk. Maar zo daarvan wel sprake zou zijn geweest, was de verdachte volgens zijn eigen verklaring al langere tijd met dit defect bekend en had die kennis hem er juist van moeten weerhouden om zijn voertuig zonder noodzaak in de richting van de verbalisant te sturen.
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, stelt het hof vast dat de verdachte zich in een zwaar object bevond (een bedrijfswagen), en dat hij daarmee, na een verhitte discussie met verbalisant [slachtoffer] , met verhoogde snelheid in de richting van die verbalisant bewoog. De verbalisant verklaart hierover dat hij
“letterlijk aan de kant (moest) springen om een botsing te voorkomen”. Gelet op de gedragingen van de verdachte, is het hof van oordeel dat de tenlastegelegde bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgehad dat bij de verbalisant in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte, minst genomen in voorwaardelijke vorm, daarop ook was gericht.
Het hof is aldus van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het hof in geval van een bewezenverklaring een taakstraf oplegt voor de duur van 80 uren.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof neemt bij het bepalen van de op te leggen straf in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich op 15 augustus 2022 schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling door met een auto op een verbalisant in te rijden. Het is aan de snelle reactie van de verbalisant te danken dat hij niet door de verdachte is geraakt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer] blijkt dat de verdachte vrijwel direct na aankomst op de plaats delict boos was, zich niet hield aan instructies die aan hem door de politie werden gegeven en verbaal agressief was. Dat de aanhouding door de politie van verdachtes zoon in aanwezigheid van zijn kleindochter veel indruk moet hebben gemaakt op de verdachte is voorstelbaar, maar dat rechtvaardigt op geen enkele wijze verdachtes handelen tegenover de politie. Niet alleen heeft de verdachte met zijn gedragingen vrees aangejaagd, ook getuigt het handelen van de verdachte van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – ongehinderd hun werk kunnen doen, hetgeen door de verdachte is bemoeilijkt. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 december 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld. Die veroordeling dateert evenwel van langer geleden en heeft ook betrekking op een andersoortig strafbaar feit. Het hof weegt die omstandigheid dan ook niet ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
Voorts heeft het hof gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen omtrent de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Alles overziende acht het hof een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis passend en geboden.
Redelijke termijn
Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt het hof als volgt.
In deze zaak is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden. Op 16 augustus 2022 is de verdachte over het tenlastegelegde gehoord. Het hof merkt in deze zaak dat moment aan als het begin van de redelijke termijn. De politierechter in de rechtbank Oost-Brabant heeft vervolgens eerst op 27 juni 2025 vonnis gewezen. Daarmee is de op twee jaren te stellen redelijke termijn in eerste aanleg met ongeveer tien maanden overschreden. Deze overschrijding valt naar het oordeel van het hof niet aan de verdachte toe te rekenen. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn in eerste aanleg, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Gelet op de duur van de hiervoor genoemde straf – een taakstraf van minder dan 100 uren – ziet het hof geen reden voor compensatie in de vorm van strafvermindering. Het hof zal derhalve volstaan met de enkele constatering van de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. H.A.T.G. Koning en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting en mr. M.C.E. Joosen, griffiers,
en op 12 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. M.C.E. Joosen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal met registratienummer PL2100-2022177530, gesloten d.d. 1 september 2022, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie en overige geschriften, doorgenummerde dossierpagina’s 1-25. Alle verklaringen zijn, voor zover dienstig, zakelijk weergegeven.
2.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 17 augustus 2022 (p. 12).