ECLI:NL:GHSHE:2026:757

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
20-001197-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor diefstal in vereniging, drugsbezit en poging woninginbraak

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor drie feiten gepleegd op 10 februari 2025: diefstal in vereniging door middel van braak in Hulsberg, het opzettelijk aanwezig hebben van circa 5 gram XTC (MDMA) en een poging tot diefstal in vereniging in een woning te Maastricht. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter vanwege onvoldoende motivering en verklaarde de tenlasteleggingen bewezen.

De bewezenverklaring omvatte het gezamenlijk wegnemen van een helm, scooter, fietsen en een JBL box, het bezit van harddrugs en het rammelen aan een garagedeur met het forceren van het slot, zonder voltooiing van de diefstal. Het hof kwalificeerde de feiten als diefstal door vereniging met braak, handelen in strijd met de Opiumwet en poging tot diefstal met bijzondere omstandigheden.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van de feiten, het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder psychische klachten en zorg voor zijn gezin. Het hof legde een gevangenisstraf van 120 dagen op, waarvan 118 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en een taakstraf van 200 uren. Tevens werd de eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf tenuitvoer gelegd.

Het hof besloot tot onttrekking aan het verkeer van de drugs en verbeurdverklaring van gereedschappen en kleding die bij de feiten betrokken waren. De in beslag genomen telefoon werd aan de verdachte teruggegeven. De straf is mede bedoeld om normhandhaving te waarborgen en recidive te voorkomen, terwijl rekening is gehouden met de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen gevangenisstraf, waarvan 118 dagen voorwaardelijk, en 200 uren taakstraf voor diefstal, drugsbezit en poging woninginbraak.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001197-25
Uitspraak : 18 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 1 mei 2025, parketnummer 03-044641-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 03-308810-23, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van:
  • diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak (feit 1);
  • opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven
verbod (feit 2);
- poging tot diefstal op een besloten erf waarop een woning staat door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4° en 5°, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden (feit 3),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder opgelegde voorwaardelijk straf in de zaak onder parketnummer 03-308810-23, te weten een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. De politierechter heeft ten slotte de onttrekking aan het verkeer gelast van de inbeslaggenomen verdovende middelen en de teruggave aan de verdachte gelast van de inbeslaggenomen telefoon. De overige inbeslaggenomen goederen zijn door de politierechter verbeurdverklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 118 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf zal toewijzen. Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat in hoger beroep dezelfde beslissingen worden genomen als in eerste aanleg is gedaan.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de bewezenverklaring, het beslag en de vordering tot tenuitvoerlegging. Voorts heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Hulsberg, gemeente Beekdaelen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een helm en/of een scooter en/of een of meerdere fietsen en/of een JBL box, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2.
hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Hulsberg, gemeente Beekdaelen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5 gram (bruto) XTC, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Maastricht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, op/aan [adres 2] , alwaar hij/zij, verdachte en/of zijn mededader(s), zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een of meerdere goederen naar zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel, aan de garagedeur heeft/hebben gerammeld en/of het slot heeft/hebben verbogen en/of met een voorwerp heeft/hebben getracht het slot en/of de deur te forceren en/of verbuigen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 10 februari 2025 te Hulsberg, gemeente Beekdaelen, tezamen en in vereniging met anderen een helm en een scooter en meerdere fietsen en een JBL box die aan [benadeelde 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
2.
hij op 10 februari 2025 te Hulsberg, gemeente Beekdaelen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5 gram (bruto) XTC, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij op 10 februari 2025 te Maastricht tezamen en in vereniging met anderen
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om in een woning, aan [adres 2] , alwaar verdachte en zijn mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, enig goed dat aan [benadeelde 2] toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, aan de garagedeur hebben gerammeld en het slot hebben verbogen en met een voorwerp hebben getracht de deur te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 3º, 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om aan de verdachte een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich – kort gezegd – schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot woninginbraak en een inbraak in een schuur/tuinhuis. Woninginbraken en pogingen daartoe, zijn ernstige feiten die naast schade ook een forse inbreuk op de privacy van de slachtoffers veroorzaken. Dergelijke feiten dragen bovendien bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en in het bijzonder bij buurtbewoners. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs. Door het handelen van de verdachte heeft hij bijgedragen aan het in het verkeer brengen van deze drugs, waarvan het gebruik risico’s voor de volksgezondheid met zich brengt. Het is bovendien algemeen bekend dat het bezit van en de handel in drugs direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit leiden. Dit levert onrust, hinder en schade aan de maatschappij op. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 maart 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Het hof weegt die omstandigheid ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging mee. Uit voormeld uittreksel volgt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van de reclasseringsrapporten d.d. 17 april 2025 en d.d. 7 januari 2026. Uit het rapport d.d. 7 januari 2026 volgt dat de criminogene factoren vooral zijn gelegen in de financiële situatie van de verdachte. De verdachte maakte uit financiële nood de verkeerde keuze. Beschermende factoren die de verdachte van delictgedrag weerhouden kan de reclassering nog niet noemen. Wel heeft de verdachte zich aangemeld voor behandeling van zijn psychische klachten, is hij bezig met vrijwilligerswerk en probeert hij zijn financiële situatie, met behulp van zijn bewindvoerder, te verbeteren. De reclassering schat het risico op recidive als laag in en ziet geen noodzaak tot het adviseren van reclasseringsinterventies.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij onder behandeling is bij de [psychiatrisch ziekenhuis] en binnenkort zal starten met traumabehandelingen. Hij heeft een Wajong-uitkering en doet vrijwilligerswerk bij een bouwbedrijf. Voorts heeft de verdachte sinds kort een prettige bewindvoerder die hem helpt met zijn financiële situatie. De verdachte draagt daarnaast de zorg voor zijn vrouw en kinderen. Zijn vrouw en kinderen kampen met (psychische) problematiek waardoor de aanwezigheid van de verdachte in het gezin onmisbaar is.
Het hof is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte, op zichzelf de door de politierechter opgelegde straf rechtvaardigen. Het hof heeft echter oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en acht het niet gewenst dat thans aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, nu er zich een voorzichtig positieve ontwikkeling lijkt af te tekenen in het leven van de verdachte en onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming deze ontwikkeling kan belemmeren. Het hof ziet daarom, met de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte, termen aanwezig om het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf te beperken tot de duur van het reeds ondergane voorarrest. Wel ziet het hof, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en het belang van een juiste normhandhaving, reden om aan de verdachte een forse taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 118 dagen voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof zal, als noodzakelijk geachte stok achter de deur voor de verdachte, een proeftijd voor de duur van 3 jaren vaststellen.
Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Voorts biedt het hof de verdachte met deze strafoplegging de mogelijkheid om zijn leven in positieve zin voort te zetten.
Beslag
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder de verdachte – kort gezegd – een telefoon, verdovende middelen, handschoenen, een muts, een breekijzer, bevestigingsmateriaal en diverse gereedschappen in beslag zijn genomen. Het hof zal met betrekking tot die goederen de volgende beslissingen nemen.
Het hof is van oordeel dat de onder de verdachte inbeslaggenomen verdovende middelen, met betrekking tot welke het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Voorts is het hof van oordeel dat de handschoenen, de muts, het breekijzer, het bevestigingsmateriaal en de overige gereedschappen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en het voorwerpen zijn met betrekking tot welke de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Nu er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van het beslag op de telefoon, zal het hof de teruggave daarvan gelasten aan de verdachte, als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende van het goed aan te merken persoon.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 5 december 2024 onder parketnummer 03-308810-23. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf dient te worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
118 (honderdachttien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
100 (honderd) dagen hechtenis;
Beslag
verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • 1 stuk gereedschap (goednummer: 1778426);
  • 2 stuks handschoenen (goednummer: 1778425);
  • 1 stuk muts (goednummer: 1778428);
  • 1 stuk gereedschap (goednummer: 1778417);
  • 1 stuk gereedschap (goednummer: 1778422);
  • 1 stuk gereedschap (goednummer: 1781210);
  • 1 stuk waterpomptang (goednummer: 1778424);
  • 1 stuk schroevendraaier (goednummer: 1781209);
  • 1 stuk schroevendraaier (goednummer: 1778418);
  • 1 stuk breekijzer (goednummer: 1778419);
  • 1 DS bevestigingsmateriaal (goednummer: 1778421);
  • 1 stuk waterpomptang (goednummer: 1778423);
beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • 4 gram verdovende middelen (goednummer: 1778427);
  • 2 gram verdovende middelen (goednummer: 1778466);
gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 stuk telefoontoestel (goednummer: 1778415);
Vordering tenuitvoerlegging
beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 5 december 2024, parketnummer
03-308810-23, te weten een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. C.C.H.T. Coert en mr. E.E.J. Boesten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,
en op 18 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.