Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:743

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
20-001467-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot zware mishandeling met mes in Breda

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 17 maart 2026 het vonnis van de politierechter in Breda vernietigd en de verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. De verdachte had op 28 juni 2023 met een mes meerdere stekende bewegingen richting het slachtoffer gemaakt, waarbij het slachtoffer deze net kon ontwijken. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van vijf maanden opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk.

De verdediging voerde vrijspraak aan en stelde dat de verdachte slechts bedreigde en dat sprake was van noodweer. Het hof oordeelde echter dat het bewijs, waaronder verklaringen van het slachtoffer en getuigen, overtuigend was dat de verdachte met voorwaardelijk opzet handelde en de grenzen van noodzakelijke verdediging overschreed. Het beroep op noodweer werd verworpen omdat de gebruikte geweldsmiddelen niet proportioneel waren.

De straf is bepaald op 122 dagen gevangenisstraf, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis. Tevens werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf. De redelijke termijn is niet overschreden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 122 dagen gevangenisstraf, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, en 200 uur taakstraf wegens poging tot zware mishandeling met mes.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001467-24
Uitspraak : 17 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 29 mei 2024, parketnummer 02-159111-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-202487-20, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De politierechter heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, ter zake van ‘poging tot zware mishandeling’ (feit 1 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de politierechter de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij het vonnis met parketnummer 02-202487-20 voorwaardelijk opgelegde straf.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde een vordering ingesteld ten bedrage van € 400,00, bestaande uit € 200,00 aan materiële schade en € 200,00 aan proceskosten. Het hof heeft geconstateerd dat de politierechter geen beslissing heeft genomen op deze vordering. De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve is deze vordering in hoger beroep niet aan de orde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen, met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging – naar het hof begrijpt – ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, nu de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Voorts heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 28 juni 2023 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes op voornoemde [slachtoffer] is afgerend en/of (vervolgens) met dat mes stekende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 juni 2023 te Breda [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers - heeft verdachte voornoemde [slachtoffer] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "hou je bek voor dat ik uit stap en je neersteek", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - is verdachte opzettelijk dreigend met een mes op voornoemde [slachtoffer] afgerend en/of heeft hij, verdachte, met dat mes stekende en/of zwaaiende bewegingen gemaakt in de richting van voornoemde [slachtoffer] en/of heeft hij, verdachte, daardoor een dreigende situatie doen ontstaan voor voornoemde [slachtoffer] .
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 28 juni 2023 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes stekende bewegingen in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar dossierpagina’s van het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, zaakregistratienummer
PL2000-2023163347, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] en gesloten d.d. 29 juni 2023 (doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 66).
Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 juni 2023. dossierpagina's 13-16, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Pleegdatum/tijd: woensdag 28 juni 2023 om 19:53 uur
Ik had vanavond een afspraak met een vriend van mij bij [bedrijf] op het [locatie] in Breda. Ik zag toen die Audi A1 voorbij komen rijden. Ik zag dat de bijrijder uit het raam hing. De bijrijder herkende ik als [verdachte]
(het hof begrijpt: de verdachte). Ik hoorde dat hij aan het schreeuwen was. Hij riep iets in onze richting. Ik heb [verdachte] , toen uitgescholden voor “kankerneger”. [verdachte] werd hierop boos. Hij zei woorden als “Hou je bek voordat ik uit stap en je neersteek.”
Op enig moment stapte [verdachte] uit. Ik zag dat hij op mij af kwam rennen. Ik zag dat hij een mes vasthad in zijn rechterhand. Er zat een gaten in waardoor je het mes goed kan vasthouden. Het mes was zwart van kleur. Ik schat dat het mes ongeveer 20 centimeter groot was inclusief het handvat.
Ik zag dat [verdachte] mij probeerde te steken. Hij stak met het mes richting mijn nek. Hij heeft daarna nog een keer naar mijn onderlichaam gestoken en meerdere keren richting mijn nek.
Ik heb gelukkig alle steken weten te ontwijken door hem tegen zijn armen te slaan en hem uit zijn beweging te halen.
Op dat moment kwam de Handhaving aan rijden. Hij heeft het mes onder een auto gegooid.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 juni 2023, dossierpagina’s 17-19, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik woon aan het [locatie] en heb vanaf mijn balkon zicht op het plein.
Vanavond 28 juni omstreeks 19:50 uur hoorden mijn vriendin en ik beneden op het plein
hard geschreeuw. Ik zag dat er twee van de mannen duidelijk 1 op 1 ruzie hadden en dat de overige aanwezigen vooral probeerden om ze uit elkaar te houden en de boel te sussen. Ik zag dat de eerste van die twee mannen een wit poloshirt droeg. Ik zag dat de andere man een soort rode jurk droeg. Ik zag dat de man in de rode jurk op een gegeven moment een mes trok. Ik hoorde dat de man in de rode jurk riep: "Ik steek je neer".
Ik zag dat hij op de man af liep en met het mes een steekbeweging maakte in de richting van de man in het witte poloshirt.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 juni 2023, dossierpagina’s 20-23, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige] :

Op 28 juni 2023 was ik getuige van een conflict op het [locatie] in Breda.
Ik zag dat er een persoon een mes trok. Ik kan deze persoon als volgt omschrijven:
- rood/paarse jurk
- donker getint
- zwart kort haar.
Ik zag dat de man met de rood/paarse jurk drie keer een stekende beweging maakte met het mes richting een andere persoon,
De man met de rood/paarse jurk maakte meerdere malen een stekende beweging met het
mes richting de man met het witte shirt:
- 1 keer richting zijn hoofd
- 1 keer richting zijn nek
- 1 keer richting zijn romp.
Ik zag dat beide personen ongeveer een armlengte uit elkaar stonden. De man met het witte shirt kon de steekbewegingen nog maar net ontwijken.

4. De verklaring van verdachte, in deze zaak afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 23 maart 2026, voor zover inhoudende:

Ik heb een mes gepakt en ben uit de auto gestapt. Ik heb het mes voor mij gehouden in de richting van [slachtoffer] . U toont mij foto’s van een mes dat overeenkomt met de beschrijving van het mes dat de politie op straat heeft gevonden en dat in beslag is genomen. Dat is inderdaad het mes dat ik heb gebruikt.
5. De eigen waarneming van het hof, gedaan bij het onderzoek ter terechtzitting, van de foto’s van het mes die aan de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is getoond, volgens de kennisgeving van inbeslagneming op dossierpagina 57 een‘Tactical Edge Arms Tf-578 Usa Design’, voor zover inhoudende:
Het betreft een uitklapbaar mes met meerdere gaten in het handvat. Het mes heeft een kort lemmet in de vorm van een haaksnavel met een scherpe punt.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman – kort weergegeven – aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte met een mes stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer] heeft gemaakt. De verdachte heeft enkel een mes gepakt en dit met gestrekte arm naar voren gehouden. Deze handeling past beter bij een bedreiging, dan bij een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft nooit de intentie gehad om aangever te raken en hem letsel toe te brengen. Hij heeft hem enkel op afstand willen houden. Getuige [getuige] heeft weliswaar verklaard dat de verdachte stekende bewegingen richting de aangever heeft gemaakt, maar vanwege het luide geschreeuw en de grote afstand van waaraf hij zijn waarneming heeft gedaan is het goed denkbaar dat de getuige dit zelf heeft ingevuld. De getuige heeft daarbij wisselend verklaard over het aantal keren dat de verdachte een stekende beweging zou hebben gemaakt, en over de vraag of de aangever deze al dan niet zou hebben moeten ontwijken.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij een mes had, dat dit het mes betrof dat later door de politie op straat werd gevonden en dat hij dit mes heeft gebruikt tijdens een confrontatie met aangever [slachtoffer] .
Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt dat de verdachte uit het voertuig stapte en op aangever af kwam rennen met een mes in zijn rechterhand. De verdachte zou met dit mes meermaals in de richting van aangever zijn nek en nog een keer in de richting van zijn onderlichaam hebben gestoken. Aangever verklaart dat hij de steken heeft kunnen ontwijken. De aangifte van [slachtoffer] is in lijn met de verklaring die de aangever direct na het incident tegenover buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 2] heeft afgelegd (dossierpagina 63). [slachtoffer] heeft toen immers verklaard dat hij was bedreigd met een mes en dat hij bijna neergestoken was. Ook tegenover verbalisant [verbalisant 3] heeft aangever verklaard dat de verdachte een mes zou hebben getrokken, en hiermee steekbewegingen richting de keel van aangever zou hebben gemaakt (dossierpagina 32).
De lezing van [slachtoffer] wordt ondersteund door de getuigenverklaring die [getuige] tegenover de politie heeft afgelegd. Getuige [getuige] heeft verklaard dat een man in rode jurk (
het hof begrijp telkens: de verdachte) ruzie had met een man in een wit shirt (
het hof begrijpt telkens: de aangever) en riep ”Ik steek je neer.” De man in de rode jurk zou een mes hebben getrokken, naar de aangever zijn toegelopen en driemaal een stekende beweging richting de man in het witte shirt hebben gemaakt, terwijl de mannen op dat moment op ongeveer armlengte van elkaar stonden. De man in het witte shirt zou de steekbewegingen maar net hebben kunnen ontwijken. Anders dan de verdediging, ziet het hof geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [getuige] .
Het hof acht het door en namens de verdachte geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat hij geen stekende bewegingen heeft gemaakt, maar het mes enkel met gestrekte arm naar voren heeft gehouden (om zichzelf te verdedigen), niet alleen in strijd met de inhoud van de bewijsmiddelen, maar ook overigens niet aannemelijk geworden. Daarom stelt het hof dit scenario terzijde.
Het hof is van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en overweegt daarover het volgende.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangever zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en aangever op ongeveer armlengte van elkaar stonden, dat de verdachte met een scherp mes meerdere steekbewegingen richting de nek/het hoofd en ook nog een steekbeweging richting het onderlichaam van aangever heeft gemaakt en dat aangever deze steekbewegingen maar net kon ontwijken. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het steken met een mes richting het lichaam spieren, bloedvaten en zenuwbanen zodanig beschadigd kunnen worden dat daardoor zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan. Het onder voornoemde omstandigheden maken van steekbewegingen richting het slachtoffer kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Van contra-indicaties die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, is het hof niet gebleken.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Beroep op noodweer
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – naar het hof begrijpt – bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging, nu de verdachte zou hebben gehandeld uit noodweer. Daartoe heeft de raadsman in de kern aangevoerd dat er sprake was van een noodzakelijke verdediging van het lijf van de verdachte tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] .
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor de aanvaarding van beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht – van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in een auto op de bijrijdersstoel zat toen de aangever hem, via het openstaande raam aan de bijrijderszijde, zou hebben willen aanvallen. De verdachte is als reactie hierop naar de bestuurderszijde van het voertuig geschoven in een poging de aangever te ontwijken. De aangever zou vervolgens de autosleutels uit het voertuig hebben gehaald, en de verdachte opnieuw hebben willen aanvallen. Gevraagd naar wat de aangever dan deed, verklaart de verdachte dat hij een beweging maakte met zijn arm alsof hij wilde slaan. De verdachte heeft vervolgens een mes gepakt en is uit het voertuig gestapt. De verdachte heeft verklaard dat aangever zich agressief gedroeg, waardoor hij bang was dat aangever hem zou slaan en dat hij zichzelf daarom moest verdedigen.
Deze verklaring van de verdachte vindt in zoverre steun in de getuigenverklaring van [getuige] dat deze getuige heeft verklaard dat de man in de rode jurk (
het hof begrijpt: de verdachte) uit de auto stapte en een mes trok nadat de man in het witte shirt (
het hof begrijpt: de aangever) hem bleef uitdagen en de autosleutel uit het voertuig had gehaald.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat de gedragingen van [slachtoffer] kunnen worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lichaam van verdachte in de zin van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De aangever heeft de verdachte uitgedaagd en meermalen willen aanvallen toen de verdachte zich in de auto (met openstaand raam) bevond. Voor de verdachte was er, in ieder geval nadat de autosleutel door de aangever uit het contactslot van de auto was getrokken, geen redelijke en reële mogelijkheid om zich aan de aanranding te onttrekken. De verdachte mocht zich daar dus tegen verdedigen.
De verklaring van de verdachte dat hij na te zijn uitgestapt geen stekende bewegingen zou hebben gemaakt, maar het mes enkel met gestrekte arm naar voren heeft gehouden, acht het hof (zoals hiervoor reeds onder het kopje ‘Bewijsoverwegingen’ is overwogen) echter niet aannemelijk. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de verdachte, anders dan hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, naar de aangever is toegelopen en op ongeveer armlengte met een mes stekende bewegingen in de richting van de nek/het hoofd en het onderlichaam van aangever [slachtoffer] heeft gemaakt.
De vraag is of het middel dat de verdachte heeft aangewend om zich te verdedigen - te weten het maken van stekende bewegingen met een mes - in verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Het hof is van oordeel dat deze vraag ontkennend beantwoord dient te worden. De verdachte heeft het mes niet enkel getoond en voor zich gehouden maar is naar de aangever toegelopen en heeft op ongeveer armlengte meerdere stekende bewegingen richting de nek en het onderlichaam van aangever gemaakt die aangever maar net kon ontwijken. Verdachte heeft met deze gedragingen naar het oordeel van het hof de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Het hof neemt hierbij ook nog in aanmerking dat er – zowel volgens de verdachte als getuige [getuige] (dossierpagina 17) – meerdere personen op straat aanwezig waren die ‘de boel probeerden te sussen’ en niet is gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het maken van steekbewegingen daadwerkelijk door [slachtoffer] is geslagen. Voor zover dat later wel is gebeurd, had dit slechts tot doel de steekbewegingen van verdachte te ontwijken.
Nu aan de voor een geslaagd beroep op noodweer gestelde eis van proportionaliteit niet wordt voldaan, wordt het beroep op noodweer verworpen.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen sancties
De verdediging heeft, onder verwijzing naar de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte, alsmede de overschrijding van de redelijke termijn, het hof verzocht af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzondere het navolgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met
een mes stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer] te maken. De verdachte heeft door zijn handelingen een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever en een reëel gevaar in het leven geroepen dat de aangever ernstig lichamelijk letsel zou oplopen. In het algemeen veroorzaakt dergelijk handelen hevige gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij slachtoffers. Daar komt nog bij dat de verdachte het geweld heeft toegepast op de openbare weg in aanwezigheid van meerdere personen. Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof neemt in het voordeel van de verdachte in aanmerking dat de aangever in deze zaak zich ook niet onbetuigd heeft getalen.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk was veroordeeld ter zake van een geweldsdelict.
Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft in dat kader naar voren gebracht dat hij druk bezig is zijn leven op orde te stellen. Hij is mantelzorger, heeft afscheid genomen van foute vrienden, staat inmiddels onder bewind en is druk bezig met het verkrijgen van een nieuwe woning. De verdachte heeft verklaard dat hij de problemen uit het verleden achter zich wil laten, en uit de negatieve spiraal probeert te komen.
In de aard en ernst van het bewezenverklaarde ziet het hof de bijzondere redenen om te komen tot een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In het bijzonder gelet op het escalerende aandeel van de aangever in deze zaak en de prille positieve ontwikkeling in het leven van de verdachte ziet het hof echter aanleiding om te komen tot een strafoplegging die (in beginsel) voorkomt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Alles afwegende, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 122 dagen, met aftrek van voorarrest (te weten twee dagen), waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, passend en geboden. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Redelijke termijn
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn op 29 juni 2023 aangevangen met het verhoor van de verdachte bij de politie. De rechtbank heeft op 29 mei 2024 vonnis gewezen. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg derhalve niet is overschreden.
Namens de verdachte is op 29 mei 2024 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 17 maart 2026. In hoger beroep is derhalve evenmin sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Anders dan de verdediging, komt het hof aldus tot de conclusie dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 02-202487-20
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank te Zeeland-West-Brabant van 3 december 2020 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 121 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof heeft op grond van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 december 2025 vastgesteld dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 121 dagen reeds is gelast. De onder parketnummer 2-202487-20 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf is op 17 maart 2023 door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Breda) gelast voor de duur van 61 dagen. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft vervolgens op 8 maart 2024 de tenuitvoerlegging gelast van het resterende deel na omzetting daarvan in een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis. Beide beslissingen zijn onherroepelijk.
Gelet hierop, is het hof met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de onderhavige vordering tot tenuitvoerlegging.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
122 (honderdtweeëntwintig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
120 (honderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
100 (honderd) dagen hechtenis.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 02-202487-20.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis dat bij bevel van 30 juni 2023 reeds was geschorst.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. H.A.T.G. Koning en mr W.P.A. Korver, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,
en op 17 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.