Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:741

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
23/332 tot en met 23/335
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 Wet OBArt. 3 lid 6 Wet OBArt. 4 lid 4 Wet OBArt. 37 Wet OBArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslagen omzetbelasting wegens misbruik positie ambtenaar en geen recht op aftrek

Belanghebbende, een fiscale eenheid actief in kantoor- en magazijninrichting, was vaste leverancier van een gemeente. Een ambtenaar van de gemeente misbruikte zijn positie door privé-aankopen via belanghebbende te laten factureren aan de gemeente met een winstopslag. Het hof oordeelt dat de ambtenaar zelf afnemer was van de leveranciers en niet belanghebbende, die ook niet als commissionair kan worden aangemerkt.

De door leveranciers gefactureerde omzetbelasting is terecht in rekening gebracht en komt niet voor aftrek in aanmerking. Belanghebbende heeft ten onrechte omzetbelasting aan de gemeente gefactureerd en is deze op grond van artikel 37 Wet Pro OB verschuldigd. Een herziening van deze omzetbelasting is niet mogelijk omdat dit tot ongerechtvaardigde verrijking zou leiden.

Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De financiële last voor belanghebbende is zwaar, mede door een civielrechtelijke schadevordering van de gemeente. Het hof adviseert de inspecteur om een eventuele schadevergoeding in mindering te brengen op de naheffingsaanslag.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslagen omzetbelasting voor 2013-2016 tegen belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/332 tot en met 23/335
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] , c.s.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland – West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 januari 2023, nummers BRE 20/880 tot en met 20/883, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft naheffingsaanslagen vastgesteld voor de jaren 2013 tot en met 2016. Tevens is voor al deze jaren bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en een boete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen alle in 1.1. genoemde naheffingsaanslagen en beschikkingen. De inspecteur heeft uitspraak op de bezwaren gedaan en deze ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot het jaar 2013 gegrond verklaard en de overige beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [bestuurder] , als bestuurder van belanghebbende en [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende. Namens de inspecteur zijn verschenen [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.6.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. Op verzoek van partijen heeft het hof erin toegestemd de uitspraak tot 1 oktober 2025 uit te stellen, om partijen de gelegenheid te bieden de zaak zonder uitspraak te sluiten. Na nog een keer zonder resultaat uitstel te hebben verleend, heeft het hof partijen bericht dat uitspraak wordt gedaan.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting die bestaat uit de volgende rechtspersonen: [rechtspersoon 1] (hierna: [rechtspersoon 1] ), [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3] .
2.2.
Belanghebbende houdt zich bezig met kantoor- en magazijninrichting.
2.3.
De heer [bestuurder] ( [bestuurder] ) is bestuurder van belanghebbende.
2.4.
In de jaren 2013 tot en met 2016 is belanghebbende één van de vaste leveranciers van de gemeente [plaats] (de gemeente).
2.5.
In deze periode was [medewerker gemeente] ( [medewerker gemeente] ) hoofd interne diensten bij de gemeente. [medewerker gemeente] kon in deze functie inkoopopdrachten aan leveranciers en dienstverleners (hierna samen aangeduid als de leveranciers) verstrekken en de daarmee verband houdende facturen betaalbaar stellen door de gemeente.
2.6.
[medewerker gemeente] heeft op grote schaal misbruik gemaakt van zijn positie binnen de gemeente. Dat deed hij onder andere op de volgende manier. Hij verzocht de leveranciers om facturen ten aanzien van de levering van bepaalde goederen of diensten (hierna samen aangeduid als prestaties) – waarvan achteraf is gebleken dat het privé-aankopen ten behoeve van [medewerker gemeente] betrof – aan belanghebbende te richten. [medewerker gemeente] verzocht belanghebbende vervolgens om de aan haar gerichte factuur te betalen, een nieuwe factuur op te maken met een winstopslag en deze aan de gemeente te factureren. Voor deze factuur aan de gemeente verstrekte [medewerker gemeente] een opdrachtbevestiging. [medewerker gemeente] gaf aan welke algemene beschrijving op de factuur moest worden vermeld. Deze facturen heeft de gemeente betaald. De facturen die de leveranciers aan belanghebbende hebben gericht zijn één op één te herleiden naar de facturen die belanghebbende aan de gemeente heeft gericht. Belanghebbende en [medewerker gemeente] hebben afspraken gemaakt over de hiervoor beschreven werkwijze.
2.7.
De gemeente heeft op 23 december 2016 aangifte gedaan van (onder meer) oplichting door [medewerker gemeente] . In het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar [medewerker gemeente] is [bestuurder] op 9 mei 2017 gehoord als getuige. In het proces-verbaal van dit verhoor is onder meer het volgende opgenomen (waarbij “V” staat voor vragen van verbalisanten, “A” staat voor antwoord getuige en “O” staat voor opmerking verbalisant):
“O: U heeft in het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek een aantal stukken per mail aan het onderzoeksteam uitgeleverd. Het gaat om onder andere: crediteurenkaart, facturen en betalingen aan [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .
V: Hoe bent u in contact gekomen met deze leveranciers?
A: Ik ken deze leveranciers helemaal niet.
V: Waar kent u deze bedrijven van?
A: Ik ken ze via de gemeente [plaats] . Wij werkten veel voor de gemeente. Ik had iedere week wel [naam 6] (toevoeging rechtbank: [medewerker gemeente] ) of [naam 7] aan de telefoon. Hij vertelde een keer dat hij ooit kleine opdrachten had waar hij geen aanbesteding voor uit wilde schrijven. Dat kost namelijk veel tijd en geld en het ging om kleine opdrachten. Hij vroeg of wij hiervoor onderaannemer voor wilde zijn. Ik vond dit niet vreemd want bijvoorbeeld bij het [school] ging dit ook zo. Dat was ook een van mijn opdrachtgevers. Ik heb gezegd dat ik dat goed vond als het mij niet teveel tijd zou kosten. Ik heb dit aan mijn boekhouder doorgegeven en geregeld dat wij zouden betalen. [boekhouder] is mijn boekhouder.
V: Hoe ging dit dan in zijn werk?
A: [naam 6] kwam langs met een inkoopfactuur van bijvoorbeeld [naam 3] . Hij stuurde ook wel eens ooit een inkoopfactuur per post maar meestal ging het wel in persoon. Als er dan meerdere inkoopfacturen waren zei hij dat hij een opdrachtbevestiging zou sturen van een aantal van deze facturen samen. Dat kon dan een opdrachtbevestiging van verschillende leveranciers samen zijn.
Op de opdrachtbevestiging stond dan een heel globale omschrijving. Iets in de trant van 'gedane werkzaamheden' of 'geleverde materialen'. Wij stuurden dan een factuur naar de gemeente [plaats] met dezelfde omschrijving en bedrag als de opdrachtbevestiging. Als we betaald hadden gekregen van de gemeente dan betaalde ik de inkoopfacturen weer zoals [naam 3] .
(…)
V: Wat is er geleverd?
A: Daar kan ik niets zinnigs over zeggen.
V: Als er niet bij u geleverd is, hoe weet u dat de goederen geleverd zijn?
A: [naam 6] gaf mij opdracht te betalen. Ik neem aan dat er ook geleverd is als er betaald moet worden. Ik heb alleen doorgefactureerd. Ik heb me wel eens afgevraagd wat er geleverd was maar ik heb dat nooit aan [naam 6] gevraagd. Ook niet aan [naam 7] . Zoals ik zeg kreeg ik overal een officieel schrijven met een briefhoofd van de gemeente inclusief stempels enzo dus ik dacht dat het wel zou kloppen.
Ik dacht dat ik wel mensenkennis had. Ik had dit niet van [naam 6] verwacht. Het was niet zo dat hij een vlotte babbel had maar hij gaf me een vertrouwd gevoel.”
2.8.
Daarnaast heeft de gemeente door het onderzoeksbureau [onderzoeksbureau] onderzoek laten verrichten naar de handelwijze van [medewerker gemeente] bij de gemeente. De heer [bestuurder] heeft op 11 april 2018 een gesprek gevoerd met tactisch onderzoekers werkzaam bij [onderzoeksbureau] . In dit gesprek heeft hij in antwoord op vragen van de tactisch onderzoekers het volgende verklaard (waarbij “V” staat voor vraag en “A” staat voor antwoord):
V: De onderzochte periode betref 2013, 2014, 2015 en 2016. In deze periode is veelvuldig gefactureerd door [rechtspersoon 1] aan gemeente [plaats] . Een aantal van die facturen willen we graag met u bespreken.
Wij tonen u bijlage 1 t/m 4 bij dit interview. Dit betreffen overzichten van de facturen van [rechtspersoon 1] aan gemeente [plaats] over 2013 t/m 2016. Een gedeelte van die facturen is in geel gearceerd.
De gearceerde facturen willen we graag me u bespreken. We willen graag weten wat exact voor deze facturen is geleverd aan gemeente [plaats] . Verder willen we graag weten hoe de verschillende referentienummers, behorende bij de bedoelde facturen, zijn opgebouwd. Bent u bereid hieraan uw medewerking te verlenen?
A: Zoals ik al zei, wil ik graag mijn volledige medewerking verlenen. Bij dit gesprek is ook aanwezig de heer [boekhouder] . Hij is onze boekhouder binnen [rechtspersoon 1] . [boekhouder] verhuurt zich aan [rechtspersoon 1] en doet reeds geruime tijd onze financiële administratie. [boekhouder] zal u de benodigde documenten aanleveren en waar mogelijk het een en ander toelichten. [boekhouder] heeft mijn toestemming om namens [rechtspersoon 1] met u te spreken over de kwestie en u de benodigde informatie te verstrekken.
(…)
A: De door u gearceerde facturen van leveringen aan gemeente [plaats] , herken ik wel. Ik zie daarop dat doorgaans een algemene omschrijving wordt gegeven voor de diensten en/of materialen die door [rechtspersoon 1] zouden zijn geleverd. Ik kan u verklaren dat door [rechtspersoon 1] géén diensten en/of materialen zijn geleverd aan gemeente [plaats] voor die facturen. In werkelijkheid kwam [medewerker gemeente] doorgaans hier op kantoor met facturen van derden. Hij bracht deze doorgaans mee. Hij verzocht mij dan om zorg te dragen voor betaling van die facturen. Ik kreeg vervolgens van [medewerker gemeente] opdrachtbonnen van gemeente [plaats] , waarmee ik vervolgens facturen kon sturen aan gemeente [plaats] . Doorgaans waren de totaalbedragen van de opdrachten ongeveer 10% hoger dan de door [rechtspersoon 1] betaalde facturen. Die 10% was dan de vergoeding voor de handelingen, die wij als [rechtspersoon 1] moesten verrichten in die zaken. Ik had daar werk mee en ook [boekhouder] had hiermee werk. De teksten en de factuurbedragen werden steeds door [medewerker gemeente] bepaald. Daarop hadden wij geen invloed.
[boekhouder] heeft op uw verzoek een aantal crediteurenkaarten uitgedraaid met daarbij de
onderliggende facturen van de betreffende leveranciers. [medewerker gemeente] vertelde me dan dat hij voor gemeente [plaats] had moeten inkopen bij die leveranciers. Om geen nieuwe leverancier te hoeven aanmaken, vroeg hij mij dan om met [rechtspersoon 1] de facturen van die leveranciers te voldoen en vervolgens door te factureren aan gemeente [plaats] met genoemde marge voor onze handelingen. Ik heb daar wel aan meegewerkt maar heb me tot kort geleden niet gerealiseerd dat [medewerker gemeente] daarmee aan het frauderen was. Aanvankelijk waren het een paar leveranciers. Pas achteraf heb ik me beseft dat het steeds meer leveranciers waren geworden en dat door sommige leveranciers alles bijeen voor veel geld was gefactureerd aan [rechtspersoon 1] , via [medewerker gemeente] . Ik heb daar niet bij stilgestaan omdat ik [medewerker gemeente] , als vertegenwoordiger van gemeente [plaats] , graag van dienst wilde zijn. [plaats] was altijd een mooie opdrachtgever voor [rechtspersoon 1] en [medewerker gemeente] was het gezicht van die klant. Ik deed daardoor wat [medewerker gemeente] me opdroeg te doen.
De referentienummers die op de facturen zijn vermeld, zijn mij door [medewerker gemeente] zelf aangeleverd. Dat zijn de nummers die ik vervolgens moest vermelden op onze facturen van [rechtspersoon 1] aan de gemeente [plaats] , samen met het opdrachtnummer en het factuurbedrag dat door [medewerker gemeente] was vastgesteld. Ik had daarop geen invloed.
(…)
We hebben zojuist samen vastgesteld dat dit in totaal voor een bedrag van ruim € 862.000,00 is geweest over de jaren 2013 t/m 2016.
Dit zijn allemaal betalingen die door [rechtspersoon 1] zijn gedaan aan bedrijven die ons helemaal niets hebben geleverd. (…)”
2.9.
Rechtbank Oost-Brabant heeft op 5 april 2019 geoordeeld dat [medewerker gemeente] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting, valsheid in geschrift, opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, (gewoonte) witwassen en diefstal.
2.10.
Belanghebbende heeft de omzetbelasting die stond vermeld op de aan haar gerichte facturen die door [medewerker gemeente] werden aangeleverd in aftrek gebracht in haar aangiften omzetbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2016.
2.11.
Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar onder andere de aangiften omzetbelasting voor de tijdvakken in 2013 tot en met 2016.
2.12.
De resultaten van het boekenonderzoek zijn aan belanghebbende medegedeeld bij brief van 21 november 2018. In deze brief wordt aangekondigd dat aan belanghebbende naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2016 alsmede vergrijpboetes zullen worden opgelegd. De grond voor deze naheffingsaanslagen is dat de inspecteur zich op het standpunt stelt dat belanghebbende de voorbelasting die in rekening is gebracht op de aan haar gerichte facturen ten onrechte in aftrek heeft gebracht.
2.13.
Met betrekking tot de aangekondigde boetes voor de jaren 2014 tot en met 2016 hebben belanghebbende en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten.
2.14.
Aan belanghebbende zijn de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (de naheffingsaanslagen), vergrijpboetes en beschikkingen in rekening gebrachte belastingrente opgelegd:
- met dagtekening 27 december 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2013 naar een belastingbedrag van € 41.134, een vergrijpboete van € 20.567 (50%) en in rekening gebrachte belastingrente van € 8.169 (aanslagnummer eindigend op: F013501);
- met dagtekening 25 april 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2014 naar een belastingbedrag van € 39.717, een vergrijpboete van € 6.505 en in rekening gebrachte belastingrente van € 6.924 (aanslagnummer eindigend op: F014502);
- met dagtekening 25 april 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2015 naar een belastingbedrag van € 34.499, een vergrijpboete van € 5.190 en in rekening gebrachte belastingrente van € 4.634 (aanslagnummer eindigend op: F.01.5502);
- met dagtekening 25 april 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2016 naar een belastingbedrag van € 23.557, een vergrijpboete van € 3.464 en in rekening gebrachte belastingrente van € 2.222 (aanslagnummer eindigend op: F.01.6501).
2.15.
Belanghebbende heeft op 2 januari 2019 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag met betrekking tot het jaar 2013 en op 31 mei 2019 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen met betrekking tot de jaren 2014 tot en met 2016.
2.16.
De inspecteur heeft op 20 december 2019 alle bezwaren ongegrond verklaard.
2.17.
De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 30 januari 2023, waarbij de beslissing van de rechtbank luidt:
‘De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 2013 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 2013;
- verlaagt de naheffingsaanslag omzetbelasting tot € 35.409 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 354 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.’

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen voor de jaren 2013 tot en met 2016 terecht en voor de juiste bedragen zijn opgelegd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Stellingen van partijen
4.1.
Belanghebbende stelt dat zij afnemer is van de prestaties die aan haar zijn gefactureerd. Belanghebbende stelt in dit kader dat zij [medewerker gemeente] een volledige volmacht heeft gegeven om alles te regelen wat nodig is om de prestatie van de leveranciers (aan de gemeente c.q. [medewerker gemeente] ) te voltooien. Belanghebbende stelt verder dat de prestaties van de leveranciers voor rekening en risico van belanghebbende zijn verricht en dat zij heeft gehandeld als commissionair in de zin van artikel 3, lid 6, en 4, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Subsidiair stelt belanghebbende dat de door de leveranciers gefactureerde omzetbelasting verschuldigd is op basis van artikel 37 Wet Pro OB, door hen op aangifte is voldaan en dat daarom niet op de aftrek kan worden teruggekomen op grond van paragraaf 3.5.2 van het toen geldende besluit Omzetbelasting, administratieve-, facturerings- en andere verplichtingen, BLKB2014-704M (het besluit). Meer subsidiair stelt belanghebbende dat zij diensten heeft verleend in de vorm van ontvangst en betaling van facturen van goederen en diensten die aan de gemeente zijn geleverd en de doorbelasting van deze facturen aan de gemeente met winstopslag. Aangezien dit een belaste prestatie is, komt alle voorbelasting voor aftrek in aanmerking. Uiterst subsidiair stelt belanghebbende dat de omzetbelasting die is berekend aan de gemeente kan worden herzien op grond van 3.5.1. van het besluit.
4.2.
De inspecteur betwist de stellingen van belanghebbende. Belanghebbende kan niet als afnemer van de leveranciers worden aangemerkt, waarmee ook de artikelen 3, lid 4 ,en 4, lid 4, Wet OB toepassing missen. Nu belanghebbende geen afnemer is van de leveranciers, komt de voorbelasting niet in aftrek, ook niet als belanghebbende de door haar subsidiair standpunt gestelde diensten zou hebben verleend. Verder stelt de inspecteur dat de door de leveranciers in rekening gebrachte omzetbelasting niet is verschuldigd op grond van artikel 37 Wet Pro OB, maar omdat de leveranciers daadwerkelijk prestaties hebben verricht, waarmee het beroep van belanghebbende op het besluit toepassing mist. Ten slotte stelt de inspecteur dat de aan de gemeente gefactureerde omzetbelasting niet kan worden herzien, omdat belanghebbende dan ongerechtvaardigd zou worden verrijkt.
Is belanghebbende afnemer van de leveranciers en heeft zij recht op aftrek van voorbelasting?
4.3.
Het hof is allereerst van oordeel dat niet de gemeente, maar [medewerker gemeente] de (uiteindelijke) afnemer van de prestaties is. De gemeente heeft weliswaar de vergoeding voor de prestaties voldaan, maar heeft nooit het eigendom of het gebruik daarvan verkregen. Zo blijkt uit de door de gemeente ingediende aangifte van (onder meer) oplichting door [medewerker gemeente] , dat geen sprake was van wilsovereenstemming aan de zijde van de gemeente en dus geen aanvaarding van enige overeenkomst tot het afnemen van de prestaties. Daarmee concludeert het hof dat ten aanzien van de prestaties geen rechtsbetrekking met de gemeente tot stand is gekomen.
4.4.
Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat zij als commissionair is aan te merken in de zin van artikelen 3, lid 6, en 4, lid 4, van de Wet OB. Uit deze bepalingen blijkt namelijk dat sprake is van een commissionair als prestaties worden verricht
door tussenkomstvan een belastingplichtige, die handelt op eigen naam, maar voor rekening van een ander. In dit geval zijn de prestatie niet door tussenkomst van belanghebbende verricht, maar op eigen initiatief van [medewerker gemeente] , die als afnemer zelf het contact heeft gelegd met de leveranciers en de overeenkomsten heeft gesloten. De tussenkomst van belanghebbende in de facturering en betaling van deze prestaties kan hier niet aan afdoen, aangezien dit niet ziet op de totstandkoming van de prestaties, maar op de administratieve en financiële afhandeling van prestaties die al tot stand waren gekomen. Daarmee is het hof tevens van oordeel dat belanghebbende niet als afnemer van de leveranciers kan worden gezien en dat de prestaties direct aan [medewerker gemeente] zijn verricht. Dit brengt met zich dat belanghebbende geen recht op aftrek van voorbelasting heeft ten aanzien van de prestaties die door de leveranciers aan [medewerker gemeente] zijn verricht.
4.5.
Het hof stelt vast dat de leveranciers in de gerechtvaardigde veronderstelling waren dat zij deze facturen op de juiste wijze hadden uitgereikt op naam van belanghebbende. Daarin werden zij ook bevestigd door de betaling van de facturen door belanghebbende. Daarnaast is niet betwist dat de prestaties van deze leveranciers daadwerkelijk zijn verricht en met het juiste omzetbelastingtarief gefactureerd zijn. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de gefactureerde omzetbelasting moet worden aangemerkt als ten onrechte of te veel in rekening gebracht als bedoeld in paragraaf 3.5.2 van het Besluit. Het beroep van belanghebbende op het Besluit faalt daarom.
4.6.
Het vorenstaande leidt tot de tussenconclusie dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de door de leveranciers in rekening gebrachte omzetbelasting.
Is belanghebbende de aan de gemeente gefactureerde omzetbelasting verschuldigd?
4.7.
Nu belanghebbende niet als afnemer kan worden aangemerkt, kunnen de facturen van belanghebbende aan de gemeente niet als juist worden aangemerkt. De facturen waren immers gebaseerd op de veronderstelling dat belanghebbende wel de afnemer was en de prestaties had doorbelast aan de gemeente. Dit leidt tot de conclusie dat de omzetbelasting die belanghebbende op de facturen aan de gemeente heeft vermeld, verschuldigd is op grond van artikel 37 Wet Pro OB.
4.8.
Belanghebbende heeft in deze procedure een beroep gedaan op herziening van de op grond van artikel 37 Wet Pro OB verschuldigde omzetbelasting, waarvoor de voorwaarden zijn vastgelegd in het besluit. Het besluit stelt als voorwaarden voor een dergelijke herziening dat daartoe een verzoek wordt ingediend, dat het gevaar van verlies van belastinginkomsten wordt uitgeschakeld en dat de uitgereikte factuur wordt gecorrigeerd. Het hof zal de in het besluit opgenomen criteria hieronder per voorwaarde behandelen.
4.9.
Met betrekking tot het doen van het verzoek tot herziening geldt dat dit verzoek volgens het besluit wordt aangemerkt als een bezwaar tegen de voldoening op aangifte, de naheffingsaanslag of de teruggaafbeschikking waarin de ten onrechte gefactureerde omzetbelasting is begrepen. In deze procedure wordt beoordeeld of de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen voor de jaren 2013 tot en met 2016 terecht ongegrond zijn verklaard. Belanghebbende heeft de stelling aangevoerd dat deze naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, omdat zij recht heeft op herziening. Daarmee is voldaan aan de eis dat een verzoek tot herziening is gedaan in het kader van een bezwaar tegen – in dit geval – een naheffingsaanslag.
4.10.
Met betrekking tot het gevaar van verlies aan belastinginkomsten heeft belanghebbende gesteld dat de gemeente door belanghebbende gefactureerde omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, maar dat deze aftrek is gecorrigeerd. Het gevaar van verlies aan belastinginkomsten is dus al geëlimineerd. Belanghebbende verwijst daarbij naar een krantenbericht in het [dagblad] van 9 november 2018, waarin het volgende te lezen valt: “ [plaats] moet de Belastingdienst 550.000 euro terugbetalen.” Belanghebbende heeft naar oordeel van het hof hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat het verlies aan belastinginkomsten al is geëlimineerd. Dat de inspecteur geen nader onderzoek heeft gedaan of het krantenbericht juist is, moet bij een redelijke verdeling van de bewijslast voor zijn risico komen, omdat hij de enige partij is die uitsluitsel kan geven over de juistheid van het krantenbericht.
4.11.
Het uitreiken van een herstelfactuur is volgens het besluit vereist in alle gevallen waar een factureringsverplichting geldt en sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de opsteller, als de onjuiste factuur niet wordt hersteld. Belanghebbende heeft de facturen die zij heeft uitgereikt aan de gemeente niet gecorrigeerd. De verplichting voor een herstelfactuur geldt echter alleen indien en voor zover belanghebbende ongerechtvaardigd is verrijkt door de aan haar verleende teruggaaf. [1] Of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking kan slechts worden vastgesteld na een economische analyse waarin rekening wordt gehouden met alle relevante omstandigheden. [2]
4.12.
Belanghebbende heeft ten onrechte omzetbelasting in rekening gebracht aan de gemeente en heeft dit niet hersteld. Deze omzetbelasting behoort niet tot de vergoeding. Wanneer de omzetbelasting geheven op grond van artikel 37 Wet Pro OB toch zou worden herzien, zou dit met zich brengen dat belanghebbende deze omzetbelasting als opbrengst verkrijgt, terwijl zij richting de gemeente via de factuur kenbaar had gemaakt dat deze als verschuldigde omzetbelasting op aangifte zou worden voldaan. Een herziening zou daarmee tot een ongerechtvaardigde verrijking leiden, zodat geen ruimte bestaat voor herziening van de op grond van artikel 37 Wet Pro OB verschuldigde omzetbelasting. Gesteld noch gebleken is dat zich economische of andersoortige omstandigheden hebben voorgedaan die tot een andere conclusie kunnen leiden. Het hof benadrukt daarbij dat alleen acht moet worden geslagen op omstandigheden in de verhouding van belanghebbende tot degene aan wie de omzetbelasting ten onrechte in rekening is gebracht, in dit geval de gemeente. Dat belanghebbende de omzetbelasting op de facturen van de leveranciers niet had mogen aftrekken, is hierbij niet relevant.
4.13.
Hetgeen in 4.12 is overwogen, leidt tot het oordeel dat belanghebbende de aan de gemeente gefactureerde omzetbelasting is verschuldigd op grond van artikel 37 Wet Pro OB en dat geen recht op herziening van deze omzetbelasting bestaat.
Dubbele heffing
4.14.
De oordelen van het hof leiden er toe dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van voorbelasting op de facturen van de leveranciers en tegelijkertijd de aan de gemeente gefactureerde omzetbelasting verschuldigd is. Dit is een zware financiële last voor belanghebbende en wordt door haar ervaren als een dubbele heffing van omzetbelasting. Daarnaast heeft belanghebbende het hof ter zitting geïnformeerd dat de gemeente in een civielrechtelijke procedure een schadevergoeding van belanghebbende eist ter hoogte van de ten onrechte door belanghebbende aan haar gefactureerde bedragen inclusief omzetbelasting. Aangezien de aan de gemeente gefactureerde omzetbelasting inderdaad is verschuldigd, zal deze schadevergoeding de financiële last voor belanghebbende nog zwaarder maken. Met het oog daarop waren partijen ter zitting overeengekomen een compromis te onderzoeken, dat echter bij het doen van deze uitspraak nog niet is bereikt. Het hof geeft daarom de inspecteur in overweging een door belanghebbende aan de gemeente te betalen schadevergoeding ten aanzien van de gefactureerde omzetbelasting in mindering te brengen op de naheffingsaanslag, aangezien voor dat bedrag dan geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van belanghebbende. Het hof ziet gelet op de onzekerheid over de hoogte van de schadevergoeding geen aanleiding om hiermee in de uitspraak rekening te houden.
Tussenconclusie
4.15.
Het hoger beroep is ongegrond.
Ten aanzien van het griffierecht
4.16.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.17.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, Chr.Th.P.M. Zandhuis en A. van Dongen, in tegenwoordigheid van X. Evers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
X. Evers E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 5 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1528, r.o. 2.5 en 2.6
2.HvJ EU 10 april 2008, C-309/06 (Marks & Spencer), punt 43.